Zomerfestivals in het gedrang
De zomerfestivals hebben het moeilijk. Het wordt steeds zwaarder de hooggespannen verwachtingen waar te maken bij gebrek aan voldoende financiële armslag. Vooral het zelf produceren van voorstellingen komt in de knel.
Het is eigenlijk altijd wat met de zomerfestivals. Neem bijvoorbeeld het Holland Festival dat de laatste edities om uiteenlopende redenen stevige kritiek kreeg te verduren, maar er desondanks op advies van de Amsterdamse Kunstraad en de Raad voor Cultuur naar verwachting vele miljoenen bij zal krijgen. Sommige festivals ontvangen te weinig, andere juist bijna te veel publiek. En geen van beide is goed. Rotterdam presenteert zich graag als festivalstad en getuige het publieksucces van het Zomercarnaval en de Danceparade lukt dat ook. Maar het Gergiev Festival, dat een uniek en internationaal programma biedt, trekt veel te weinig publiek om te kunnen overleven en het hoge subsidiebedrag te rechtvaardigen. Tegelijkertijd worden festivals die met een aantrekkelijk programma (te) veel publiek trekken, door de 'serieuze' collegae niet serieus genomen. En hun relatief hoge sponsoraantrekkelijkheid wordt vaak weer door potentiële subsidiënten afgestraft: 'Jullie kunnen toch zelf wel genoeg inkomsten verwerven?' Zodat er nóg meer bier moet worden verkocht en het misprijzen toeneemt.
Festivals worden - al dan niet ten onrechte - geroemd om hun laagdrempeligheid. Ook zijn zij geliefd bij stadsbestuurders omdat ze relatief goedkoop zijn en veel publiciteit genereren. Toch dreigen de zomerfestivals tussen wal en schip te vallen. Festivals zijn vaak tegelijkertijd van alles wat: zowel podium voor jong en nieuw talent als presentatieplek voor het bekende. Er wordt gemikt op het grote publiek, maar de festivals moeten ook voor gespecialiseerde podiumkunstliefhebbers en een cultureel divers publiek aantrekkelijk zijn. Tegelijkertijd moeten ze het liefst een uniek, internationaal aansprekend en mediageil programma presenteren, dat concurreert met bestaande internationaal programmerende podia en buitenlandse internationaal toonaangevende festivals. Bovendien wordt van ambitieuze zomerfestivals verwacht dat ze coproducent en nog liever producent zijn van nieuwe producties die de mogelijkheid moeten krijgen om zich te presenteren aan een groot publiek. En dat alles binnen een niet al te florissant financieel kader.
Enkele internationaal aan de wegtimmerende podiumkunsten- en multidisciplinaire festivals worden via de Cultuurnota gefinancierd, maar de meeste festivals met internationale ambities moeten via allerlei ad hoc financieringsbronnen hun programma financieel rond zien te krijgen. De huidige mogelijkheden binnen de EU zijn beperkt, mede door de trage besluitvorming, de zeer beperkte beschikbare middelen en het feit dat er niet ieder jaar voor de podiumkunsten middelen worden geoormerkt. Additionele gelden voor internationale (zomer)festivals uit de HGIS-Cultuurmiddelen zijn grotendeels gedecentraliseerd naar het Fonds voor de Podiumkunsten, maar met dat budget (1 miljoen gulden) kunnen hooguit jaarlijks tien tot vijftien festivals serieus worden ondersteund. Echte nieuwe producties kunnen daarvan nauwelijks worden gefinancierd.
Theaterfestival Boulevard (Den Bosch) heeft hierover onlangs een brief gestuurd aan de staatssecretaris. Volgens directeur Wim Claessen is het voor zomerfestivals een onbegonnen zaak om te (co-)produceren in combinatie met het exploitatierisico. Er zijn bovendien maar weinig festivals met een volwaardige productiehuis-partner, zoals het Utrechtse Festival aan de Werf. Volgens Claessen worden de zomerfestivals wel beoordeeld op hun productiefunctie terwijl daar niet de middelen tegenover staan. Wat erger is, aldus Claessen, is dat een productiefunctie in de zomer nu totaal ontbreekt omdat structureel gefinancierde instellingen in deze periode nu eenmaal niet produceren.
Opvallend genoeg pleit Claessen niet direct voor uitbreiding van de financieringsmogelijkheden voor producerende (internationale) zomerfestivals, maar hij stelt voor dat beter moet worden toegezien dat structurele subsidies ook in de zomer hun rendement krijgen. De structureel gesubsidieerde gezelschappen zouden op hun verantwoordelijkheid voor een heel jaar gewezen moeten worden. Indien dit niet tot resultaten kan leiden, is terugkeer naar een speciaal zomerbudget noodzakelijk. Ook het aanwijzen van productiekernen, werkplaatsen en platformen met een expliciete zomerproductie-opdracht zou dan een middel kunnen zijn om het probleem aan te pakken. Wat is mening hierover?


