Wederopbouw in de Balkan
Kunstenaars uit Balkan-landen willen zich losmaken van het oorlogsverleden maar zijn daar zelf natuurlijk in grote mate door beïnvloed en ook de infrastructuur draagt daar flinke sporen van. Hoe ziet de infrastructuur eruit, wat is nodig om een goed cultuurbeleid te voeren en welke rol spelen kunst en cultuur bij het zoeken en creëren van aansluiting bij Europa? Aida Kalender
Wie spreekt met mensen uit voormalig Joegoslavië zal het opvallen dat er in dagelijkse gesprekken één verwijzing regelmatig terugkomt. “Tijdens de oorlog”, “toen de oorlog voorbij was”, “naoorlogs”, het zijn de uitdrukkingen die men gebruikt om de breuk in de tijdlijn aan te geven die het einde markeert van de vroegere manier van leven. De datum waarop de oorlog plaatsvond is voor elk land van voormalig Joegoslavië anders en een buitenlander moet heel erg zijn best doen om ze allemaal uit zijn hoofd te leren, maar de verwijzing naar de oorlog kom je bij iedereen tegen. Maar hoewel de vernietigende uitwerking van de oorlog nu niet meer zichtbaar is vanwege het grootschalige proces van wederopbouw, betogen politiek analisten dat het lijkt alsof de transitie nog maar net begonnen is. Dit geldt vooral voor Bosnië-Herzegovina, Kosovo en zelfs voor Macedonië, waar de internationale gemeenschap nog steeds een vorm van schijnprotectoraat in stand houdt. De veranderingsprocessen liggen dus niet in handen van de inwoners van die landen. Omdat de internationale gemeenschap de aandacht langzaam aan verschuift naar recentere conflictgebieden, is het noodzakelijk hun lange aanwezigheid op de Balkan te rechtvaardigen. Politieke logica zal de situatie eenvoudiger voorstellen door een nieuwe breuk in de tijdlijn aan te kondigen en een nieuwe wind voor de regio te propageren. “Het tijdperk Dayton is voorbij, we zijn nu in de Brussel periode.” Met deze frase worden de inwoners van voormalig Joegoslavië door de media bestookt. Volgens verschillende recente rapporten wordt toetreding tot de Europese Unie gezien als het enige positieve punt in de toekomst van deze deprimerende regio. Met één been staat het nog steeds in de puinhopen van de vernielingen uit de oorlog en met het andere is de regio op weg om hervormingen tot stand te brengen en toe te treden tot de EU. Met een nog zwakke democratische structuur, maar met nieuwe, optimistische retoriek, wordt het westelijk deel van de Balkan geconfronteerd met een enorme tegenstrijdigheid in de wederopbouw. De gevels in Sarajevo zien er tegenwoordig prachtig uit, maar binnenin staat de maatschappij nog maar net op het punt om aan de wederopbouw te beginnen en ziet zich geconfronteerd met talloze uitdagingen. In de benodigde hervormingen voor het EU-lidmaatschap, heeft cultuur geen prioriteit. Dit bevestigt de stelling van Ralf Dahrendorf dat een politieke verandering tot stand gebracht kan worden in zes maanden tijd, economische verandering in zes jaar en voor culturele veranderingen zestig jaar uitgetrokken moet worden.
De wederopbouw-paradox is het meest zichtbaar op het gebied van cultuur. Terwijl het culturele leven in Bosnië-Herzegovina opwindend en levendig was tijdens de oorlogsjaren (1992-1995) en het naoorlogse uitbundige optimisme, bevindt het land dat het meest vernietigd is in de Balkanoorlogen, zich nu in een diepe crisis. Naast de omvangrijke afbraak van de culturele infrastructuur, heeft de oorlog niet uitsluitend negatieve effecten gehad voor de culturele wereld. Turbulente omstandigheden, in combinatie met de aanwezigheid van een internationale gemeenschap, hadden een vergelijkbaar effect op artistieke gemeenschappen in alle landen van voormalig Joegoslavië: het besef dat het niet langer mogelijk was om slechts één artistieke gemeenschap te hebben en slechts één manier waarop deze functioneerde. Mehmed Beluli, kunstenaar en professor aan de Academie van Kosovo, benadrukt dat het einde van de controle over informatie, allerlei kansen met zich meebracht voor kunstenaars. Zij kwamen in contact met verschillende vormen en opvattingen over kunst en konden hun voordeel doen met de mogelijkheden die ontstonden door een open benadering van verschillende kunstpraktijken (Behluli, 2005). De jaren negentig in Macedonië, Bosnië-Herzegovina, Servië en Montenegro werden gekarakteriseerd door bloei van een onafhankelijke culturele sector. Er werden verschillende niet-gouvermentele organisaties (ngo’s) opgericht met als doel het gat in de culturele programmering te vullen en een ander cultureel klimaat tot stand te brengen dan die van de conservatieve, culturele overheidsinstituten met te veel personeel en slechte leiding. De werkwijze van deze onafhankelijke culturele sector was alternatief in de manier van leiding geven, programmering, productie en presentatie. Financiële ondersteuning van deze nieuwe sector kwam uitsluitend van internationale fondsen. Bij de regering bestond geen interesse om deze krachtige initiatieven te erkennen. In plaats daarvan zijn de belangrijkste culturele ngo’s in Macedonië en Bosnië-Herzegovina gemarginaliseerd of volledig genegeerd. Violeta Simjanovska, de directeur van PAC, een multimediacentrum in Skopje, de hoofdstad van Macedonië, geeft hiervoor verschillende redenen. Het gaat hier om angst voor concurrentie en om macht te verliezen. Inmenging van professionals van buiten wordt gemeden, omdat zij misschien sleutelfiguren binnen de sector kunnen worden (Simjanovska, 2005). Vanwege de houding van deze regeringen, wordt de bestaanszekerheid van veel culturele ngo’s bedreigd, na het grootscheeps terugtrekken van de internationale fondsen uit de regio, zoals bijvoorbeeld de Soros Foundation begin 2000 deed.
Na de interventie van de internationale gemeenschap, is in Kosovo nu alles gericht op herstel van de schade door de oorlog. Daarbij krijgt Kosovo voor de eerste maal sinds haar bestaan te maken met de oprichting van politieke instellingen en het begin van sociale hervormingen. Naar verluidt zullen ook de sectoren onderwijs en kunst en cultuur hierbij betrokken worden (Behluli, 2005).
Tijdens de nasleep van de oorlog was cultuurbeleid wel het laatste waar men over nadacht. Ook in Bosnië-Herzegovina werd cultuurbeleid niet belangrijk gevonden. Het land was uit elkaar gereten en vele netwerken waren verdwenen. De prioriteit lag bij overleven en niemand zag een belang in het bepalen van een strategie voor cultuurbeleid. De politieke houding ten opzichte van cultuurbeleid komt overeen met wat Paddy Ashdown ooit zei over cultuur: “Cultuur in Bosnië-Herzegovina is luxe.” In overeenstemming met de woorden van haar internationale bestuurder, is Bosnië-Herzegovina een van de weinige landen in Europa dat geen nationaal beleid voor cultuur heeft. Dit is te wijten aan de oorlog, de kunstmatige samenstelling en staatsinrichting van het land, veroorzaakt door de vredesovereenkomst van Dayton. ‘De schepping van Frankenstein’, de ironische term om de samenstelling van Bosnië-Herzegovina te beschrijven en het feit dat het land geen ministerie van Cultuur heeft, zijn de voornaamste barrières die een nationale culturele strategie in dit land in de weg staan. Dietachmair citeert een van de initiatiefnemers van de ontwikkeling van lokaal cultuurbeleid uit Servië: “Onze politici zijn niet geïnteresseerd in culturele zaken. Eigenlijk vinden ze cultuur gevaarlijk als die het traditionele, institutionele kader verlaat.” (Dietachmair, 2005.) Beleidsrapporten voor cultuur bieden nog geen garantie voor concrete actie op dit gebied. Er zijn slechts voornemens geformuleerd onder leiding van de Raad van Europa. Er is nog geen vertaling daarvan in strategieën die leiden tot prioriteiten, beleidskaders, uitvoering, controle en evaluatie en waarin de culturele sector, onafhankelijk en gefinancierd door de overheid een plek krijgt (Weeda, 2004). In de meeste landen die zich in de overgangsperiode bevinden, is het cultuurbeleid in feite een voortzetting van wat er daarvoor al plaatsvond. Lastige besluiten zijn impopulair. Op deze manier gaan sommige projecten in Bosnië door, zelfs als het eigenlijk beter zou zijn om te stoppen. Wanneer er bezuinigd wordt, gebeurt dit meestal over de hele linie, zodat de pijn verdeeld wordt. Het is dan moeilijk om prioriteiten te zien en nieuwe initiatieven komen veel moeilijker van de grond. In veel gevallen zijn er alleen middelen om salarissen te betalen en gebeurt er zo weinig aan ontwikkeling, waardoor de tendens bestaat tot het creëren van statische instituten. De Britse schrijver Charles Landry noemt het “de-hoe-minder-je-doet-hoe-langer-je-overleeft-paradox”. (Landry, 2002) De meeste staten in de regio hebben nog geen antwoord op de kwesties die de loodzware erfenis uit het verleden met zich meebrengt. Hoe zit het met de noodzaak om de status quo te handhaven van staatsgefinancierde culturele mammoetinstituten en de wil om zware besluitvormingsstructuren te veranderen? Hoe verder te gaan met een culturele sector die essentiële managementvaardigheden en strategisch denken mist? (Weeda, 2004).
Vooral in Servië en Macedonië vinden er de laatste jaren veranderingen plaats bij de ontwikkeling van cultuurbeleid. De onafhankelijke cultuursector heeft enkele zeer succesvolle projecten geïnitieerd. Deze genereren discussies over internationale samenwerking. Daarnaast worden deze ontwikkelingen beïnvloed door twee internationale programma’s: het MOSAIC-programma van de Raad van Europa en het programma Policies for Culture van de European Cultural Foundation en de Ecumest Association in Boekarest. Simjanovska ziet langzaam ruimte ontstaan voor een dialoog tussen de overheid en de niet-gouvernementele organisaties. De splitsing in ‘zij’ en ‘wij’ verdwijnt steeds meer ten gunste van ‘met ons’. In dit belangrijke proces zijn het juist kunstenaars, intellectuelen en de ngo’s, die als eerste bereid waren de dialoog aan te gaan in een poging de prille democratie te versterken. (Simjanovska, 2005) Sterke lobbyactiviteiten, zoals het recente congres van de European Cultural Foundation in Den Haag over de Balkan en het initiatief om een speciaal fonds voor culturele samenwerking in Zuidoost-Europa op te richten, benadrukken de rol van cultuur in integratie- en emancipatieprocessen. Het zijn de kernaspecten van een democratische ontwikkeling van de hele regio van de West-Balkan. Er zou ook meer geïnvesteerd moeten worden in pogingen om druk uit te oefenen op de lokale overheden om verantwoordelijkheid te nemen voor culturele ontwikkeling en steun voor initiatieven vanuit de onafhankelijke culturele sector. Talrijke succesvolle regionale projecten zijn op het gebied van cultuur al gerealiseerd, zoals de Sarajevo Notitieboeken, een literatuurtijdschrift van een groep schrijvers uit alle delen van voormalig Joegoslavië die de taal van de haat niet accepteren. Ook is er het Sarajevo Film Festival, een jaarlijkse bijeenkomst in augustus van filmregisseurs uit Zuidoost Europa. De vernietigende kracht van de oorlog die duizenden mensen doodde, gebouwen verwoestte en ellende bracht in de West-Balkan, slaagde er niet in om de nauwe band tussen kunstenaars, intellectuelen en cultuurmakers te verbreken. Cultuur verbindt. Cultuur integreert. Cultuur emancipeert. Hiervan is de West-Balkan dagelijks getuige.
Behluli, Mehmed: “The Cultural education system in Kosovo- searching for alternatives”, 2005, at http://www.eurocult.org/
Dietachmair, Philipp, “Commencing dialogue, challenging cooperation- Developing local cultural policies in Serbia”, 2005
Dragicevic-Sesic, Milena, “Cultural policies in Eastern and Central Europe”, article for the Policies for Culture programme, 2000
Dufton, Bill, “European Programme of National Cultural Policy Reviews, MOSAIC PROJECT, Cultural Policy in Serbia and Montenegro, Part I: Republic of Serbia”, Experts’ Report, 2003
Landry, Charles, “Togetherness in difference: Culture at the crossroads in Bosnia Herzegovina, Cultural Policy in Bosnia Herzegovina: Experts Report”, European Programme of National Cultural Policy Reviews, Mosaic Project, Council of Europe- Steering Committee for Cul ture, Strasbourg, 2002
http://www.coe.int/t/e/cultural_co-operation/culture/policies/MOSAIC/
Simjanovska, Violeta: “The path of turning an enemy into a partner”, 2005, at http://www.eurocult.org/


