Waar gaat dit eigenlijk allemaal over?
De notie ‘internationaal cultuurbeleid’ doet voorzichtig zijn intrede onder minister Brinkman in de jaren tachtig. Sinds de oorlog had cultuur op het internationale podium vooral in het teken gestaan van het kweken van goodwill. Als een stille diplomaat baande hij zich een weg voor onze economische en politieke ambities in het buitenland. Brinkman ambieerde een vooraanstaander rol van de cultuur in de internationale betrekkingen. Hij verbond dit met zijn pleidooi voor de herwaardering van het kwaliteitsbegrip in het cultuurbeleid. Met zijn openlijk beleden waardering voor de topkunst nam het Nederlands kunstbeleid definitief afscheid van het gelijkheidsdenken van de zeventiger jaren. Brinkman wilde een klimaat waarin topkunst goed kon gedijen. En als je het over topkunst hebt, dan is de internationale tribune natuurlijk nooit ver weg. Met de opwaardering van de rol van cultuur, ook in het buitenland, kwam tegelijk haarscherp aan het licht dat er een spanning is tussen de autonomie van de kunst en de kunst als instrument van buitenlandse politiek. En die spanning werd er zeker niet kleiner op toen Brinkman zich de later beroemd geworden uitspraak liet ontvallen, dat kunst een glijmiddel moest zijn voor onze exportproducten. Dat neemt niet weg dat Brinkman de eer toekomt de bal stevig voor het doel gezet te hebben. Hedy d’Ancona heeft de voorzet daarna ingekopt door de internationalisering tot één van haar prioriteiten te maken. Vanzelfsprekend was dat toen nog helemaal niet. “Och, zeker om onze kaas te verkopen” was de schampere reactie van de cultuursector. Men vreesde dat de intrinsieke waarde van kunst en cultuur het zou afleggen tegen de economische effecten; de ‘cultuur als glijmiddel’ gedachte in zijn smalste vorm. Die vrees is overigens niet terecht gebleken. Onder aanvoering van d’Ancona werden juist cultuurintrinsieke begrippen als ‘kwaliteit’, ‘uitdragen’, ‘uitwisselen’ en ‘spreiding’ de motto’s van het internationaal cultuurbeleid. De internationale ontwikkeling van de kunst werd tot doel op zich verklaard. Een opmerkelijke ontwikkeling waarin Buitenlandse Zaken zich voor het eerst loyaal committeerde aan de ambities van de culturele sector. In 1992 werd dat nog eens bekrachtigd met een gezamenlijke notitie, van de ministers van Buitenlandse Zaken en Cultuur. Opvallend genoeg geschreven door de huidige staatssecretaris voor Europese zaken en internationale cultuur, Atzo Nicolaï, die toen nog ambtenaar bij Cultuur was. In die nota werd gesteld dat vooral de kunst zelf de weg moest wijzen waarlangs internationale culturele uitwisseling zou moeten plaatsvinden. Was cultuur aanvankelijk louter een instrument voor buitenlandse politiek, in de jaren negentig stond ineens de ontwikkeling van de intrinsieke waarde ervan voorop.
Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat we vandaag een internationaal cultuurbeleid hebben dat uniek in de wereld te noemen is. Er is geen ander land dat in zijn internationale cultuurpolitiek een zo smalle definitie van cultuur hanteert als Nederland. Het is daarin bovendien niet sturend maar faciliterend. Het initiatief ligt bij het veld zelf, de overheid volgt en ondersteunt. De overheid in de gedaante van de diplomatieke dienst is hoogstens makelaar en geen programmeur. In de ons omringende landen vinden we een dergelijk “bottom up” systeem niet terug. Cultuur en politiek zijn minder strikt gescheiden waardoor vrijwel altijd ook politieke ambities meespelen. Bijvoorbeeld de ambitie om via de kunst de bredere culturele waarden van een land uit te dragen. Of de ambitie om culturele uitwisseling te gebruiken als voorzorgsmaatregel tegen spanningen en conflicten. Het internationale culturele gezicht van die landen wordt dan ook veel meer ‘gestuurd’ door culturele instituten zoals het Goethe Instituut of het Institut Francais. Onmiddellijk na de bevrijding van Kabul was Duitsland er als de kippen bij om daar een Goethe instituut op te richten. Wij Nederlanders levend in het land van Thorbecke, kijken meestal wat sceptisch aan tegen dit soort gebaren en prijzen ons gelukkig dat we niet voor een dergelijke top down werkwijze hebben gekozen. De goede internationale reputatie die we volgens onszelf genieten in bijvoorbeeld de architectuur en vormgeving draagt bij aan het gevoel dat we het wat onze cultuurpolitiek betreft ‘goed voor elkaar’ hebben. Tot voor kort was ook ons cultuurpolitieke systeem zelfs een belangrijk exportartikel. Landen die zich cultuurpolitiek opnieuw moesten uitvinden zoals die uit het voormalige Oostblok, maar ook Zuid-Afrika hielden we met trots voor hoe goed ons vierjarig, ‘overheid op afstand’ en ’bottom up’ systeem functioneerde. En de jaloezie die ons ten deel viel sterkte ons tenslotte in de overtuiging dat we het goed hadden. Blijft alleen de vraag of we het ook goed doen?
”Goed gemaakt, maar waar gaat dit allemaal eigenlijk over?” is een vraag over de Nederlandse cultuur die ik een paar keer teveel heb gehoord in het buitenland. Wie regelmatig in het buitenland vertoeft, weet dat we best meetellen maar dat de culturele reputatie van Nederland ook weer niet moet worden overschat. We zijn er weliswaar, maar temidden van het explosief toegenomen internationale culturele aanbod wordt Nederland minder goed waargenomen dan we wel eens denken. En waar we ooit door onze historische internationale gezindheid voorop liepen blijken we door de sterk toegenomen internationalisering stevig aan belang te hebben ingeboet, bijvoorbeeld onze positie in theater en dans in Duitsland. Daar liggen we inmiddels straatlengtes achter bij de Vlamingen. “Het Nederlands theater wordt internationaal nauwelijks waargenomen” zegt Johan Simons. Simons is uitgegroeid tot één van de belangrijkste Europese theatermakers, maar dat is Nederland kennelijk even ontgaan. Zijn vertrek naar Gent schijnt iedereen onverschillig te laten. Zo zijn er nog wel meer Nederlandse cultuurdragers die internationaal carrière maakten, wier mening we serieus zouden moeten nemen. Zoals Jan Debbaut die naar de Tate Gallery vertrok en zich verwondert over de internationaal marginale positie van de Nederlandse beeldende kunst. Maar ook de binnenlandse berichten van buitenlanders die de Nederlandse cultuur goed kennen, worden steeds verontrustender. Zij vinden het Nederlandse systeem weliswaar uniek door zijn democratische gehalte, transparantie en royale subsidie cultuur. Maar ze constateren tegelijk dat we in Nederland niet gewend zijn om scherpe inhoudelijke keuzes te maken. Om elkaar te bevechten over de vraag wat waar is en wat onwaar is of wat goed is en wat slecht is. Maria Hlavajova bijvoorbeeld, zij komt uit Bratislava en was curator beeldende kunst bij Thinking Forward tijdens het EU-voorzitterschap van Nederland in 2004. Haar valt op dat men in de Nederlandse cultuur wel heel erg moeilijk in beroering te brengen is. Van alle eigenschappen die de Nederlandse cultuur sieren zijn urgentie, heftige controverse, en politiek engagement niet de meest in het oog springende. Een geluid dat bevestigd wordt door de nieuwe directeur van het Eindhovens Van Abbe Museum, Charles Esche, die het Nederlands gebrek aan urgentie en ‘verlangen’ hekelt. Er is geen land dat zo systematisch en minutieus de kwaliteit van de eigen kunst doorlicht. Er is ook geen land dat zoveel vertrouwen heeft in de objectiviteit en cultuurpolitieke neutraliteit van dat begrip. Deze eenzijdige fixatie op het kwaliteitsbegrip, dat voortdurende gebukt staan over onszelf, heeft als mogelijk ongewenst bijeffect dat we ons zelf niet meer in de spiegel van onze omgeving kunnen zien. En dat is mogelijk weer de reden waarom buitenstaanders het steeds vaker hebben over onze toenemende introversie en zelfgenoegzaamheid waardoor we de aansluiting met de internationale gemeenschap dreigen te verliezen. Het gaat niet alleen om de vraag of we voldoen aan internationale kwaliteitsnorm. Dat doen we wel, maar dat is niet meer dan vanzelfsprekend in de internationale arena. Het gaat daarnaast om de vraag of we ook nog een eigen verhaal hebben. Of we iets substantieel toe te voegen hebben aan het internationale cultuurdebat. Tegen deze achtergrond is de vraag opportuun: Hoe tevreden zijn we eigenlijk nog met ons cultuurbeleid en dan vooral met ons internationaal cultuurbeleid? Wordt het niet eens tijd die eenzijdige fixatie op de kunst als geïsoleerd fenomeen te doorbreken en de luiken wat verder open te zetten? Waar is onze pionierszin, onze nieuwsgierigheid, onze empathie, ons engagement en ons vermogen om in ons in anderen te verdiepen? Volgens het huidige, volledig op artistieke maatstaven gebaseerde beleid, moeten we ons vooral op de internationale ‘toppodia’ manifesteren. Terwijl er, zeker nu met alle geopolitieke spanningen en dreigende cultuurconflicten ook nog wel andere plekken en plaatsen zijn waarvan het in alle opzichten goed zou zijn als we ons daarin meer zouden verdiepen. Istanbul, Teheran, Rabat, Cairo, Sjanghai, Peking, Kiev en Sarajevo bijvoorbeeld zijn op dit moment minstens zo relevante spiegels voor onze cultuur als New York, London, Parijs en Berlijn. We hoeven als cultuursector niet te wachten op de overheid om onszelf erop te wijzen dat er in een bepaalde regio werk aan de winkel is, gewoon omdat het voor de mensheid, de geschiedenis en vooral voor onze eigen maatschappelijke vrede van groot belang is.
De Nederlands-Amerikaanse cultuurhistoricus James Kennedyhttp://www.sicasica.ds/cgi-bin/mk5/mk5_sica.pl?xpath=document('sicamag/artikel387.xml')//sicamagartikel&NW_FILE=artikel&NW_ID=387&modus=6&etype=sicamagartikel#_ftn1 spreekt in zijn artikel in de zojuist door Pieter van Os samengestelde bundel , zijn verwondering uit over het vermogen van Nederlanders om veranderingsprocessen waar ze elders een eeuw over doen in een klap te laten voltrekken. Hij brengt dat in verband met de Nederlandse gewoonte om debatten over de inhoud te vermijden en altijd naar consensus te streven. We koesteren graag het beeld van onszelf van 16 miljoen dwarse individualisten maar het artikel van Kennedy leert ons dat we eerder het beeld vertonen van een school vissen die voortdurend met plotselinge bewegingen van koers verandert. Blijkbaar geldt dat ook voor het cultuurpolitieke debat. Van het ene extreme ‘cultuur als glijmiddel’ zwiepte onze focus in het internationale cultuurbeleid volledig door naar het andere extreme ‘cultuur als doel op zich’. Het wordt tijd dat we onze uitzonderingspositie in de relatie tussen cultuur en politiek niet alleen maar als een verworvenheid beschouwen. Een al te strikte scheiding tussen beide domeinen maakt de kunst in en buiten ons land onbeduidend. Recent heeft Staatssecretaris Nicolai aangekondigd dat China prioriteitsland wordt en dat we in het internationaal cultuurbeleid meer aandacht moeten besteden aan de culturele uitwisseling met de Islamlanden. Dat luidt in het internationaal cultuurbeleid een belangwekkende verandering waarin we historisch gezien tot een mooie synthese kunnen komen. Een internationaal cultuurbeleid waarin de kunst geen instrument is van onze buitenlandse politiek, maar ook geen doel op zich is, los van al het andere wat onze samenleving beweegt. Laten we kiezen voor een beleid waarin de kunst, als spiegel van wie we zijn, wat we willen en waartoe we in staat zijn, benoemd wordt tot Hare Majesteits belangrijkste ambassadeur.
http://www.sicasica.ds/cgi-bin/mk5/mk5_sica.pl?xpath=document('sicamag/artikel387.xml')//sicamagartikel&NW_FILE=artikel&NW_ID=387&modus=6&etype=sicamagartikel#_ftnref1 hoogleraar Nieuwste Geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam


