Van 'cultuur en economie' naar 'creatieve economie'
“…creativiteit koesteren en de groei van de creatieve economie mogelijk maken is een cruciaal element in het economische succes van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de opkomende nieuwe kennis gerichte economie.” Dat schreef het Britse ministerie voor handel en industrie in 1998 in de notitie . Het debat over de relatie tussen cultuur en economie is een stap verder gegaan en heeft een meer strategische, minder defensieve wending genomen. Dit is vooral het geval in het Verenigd Koninkrijk en een aantal andere landen, met name Australië, Brazilië, Colombia en Hongkong.
Waar het debat vroeger ging over de economische impact van cultuur, is de kwestie nu veel meer strategisch gericht op het concept van creativiteit en de integrale en strategische status waarin dit bijdraagt aan de kenniseconomie en daarom aan een creatieve economie. In het Verenigd Koninkrijk, Australië, Brazilië en Hongkong is het concept creatieve sector in de plaats gekomen van de culturele sector met belangrijke effecten wat betreft beleid en erkenning door de voornaamste overheidsorganisaties op lokaal, regionaal en landelijk niveau. Er is nu bewijs dat als gevolg van de EU 2000 Lisbon Agenda, deze trends door zullen zetten op pan-Europees niveau.
Deze nieuwe vorm van beleidserkenning en een meer strategische benadering van de culturele sector als geheel, werd in het Verenigd Koninkrijk geïnitieerd in 1997 door de oprichting van een interdepartementaal Creative Industries Task Force, door de pas gekozen Tony Blair. Hierop volgde in 1998 een, voor het Verenigd Koninkrijk uniek, document dat de creatieve industrie in kaart bracht: het Creative Industries Mapping Document. Hierin wordt geschat dat de creatieve sector £ 65 biljoen bijdraagt aan de economie, dat 5% van de beroepsbevolking er werkzaam is en dat het sneller groeit, dan welke industrie ook. Vergelijkbare resultaten kwamen naar voren uit een vervolgstudie in 2001, waarin de economische bijdrage op 114 biljoen pond per jaar werd geschat.
Hoewel het voor de beleidserkenning cruciaal was dat dit initiatief op landelijk niveau gerealiseerd werd, vooral omdat Blair de initiator ervan was en omdat het aangestuurd werd door het ministerie van Cultuur, Media en Sport, was het nog belangrijker dat het programma doorgevoerd werd op regionaal en lokaal niveau. Dit werd ondersteund door de toenemende betekenis van de negen Regional Development Agencies in Engeland en de recent overgedragen macht van Schotland, Wales en Noord Ierland. Een deel van deze regionale devolutie was de vestiging van Regional Cultural Consortia in elk van de regio’s. Deze zijn uitermate belangrijk geworden voor de samenwerking met de meer economisch georiënteerde Development Agencies en geprobeerd wordt deze ervan te overtuigen de creatieve sector en de bredere culturele sector, serieus te nemen. De Regional Cultural Consortia bestaan uit afgevaardigden van openbare instanties verantwoordelijk voor de kunsten, musea en bibliotheken, erfgoed, film, sport en toerisme. Zij hebben ook vertegenwoordigers van de private sector en de lokale overheid in hun bestuur. Zij speelden een heel belangrijke rol bij zowel het vaststellen van de agenda voor de creatieve sector op regionaal en lokaal niveau, als het verschaffen van een cruciaal instrument in de vorm van de Evidence Toolkit, waardoor de identificatie van standaard classificatiecodes kon plaatsvinden binnen een nieuw gedefinieerde sector, bestaande uit zeven subsectors: beeldende kunst, podiumkunst, audiovisuele kunst, boeken en pers, erfgoed, sport en toerisme om het mogelijk te maken de creatieve sector en de culturele sector in kaart te brengen op die niveaus. Dit is een belangrijk instrument dat gebruikt kan worden door locale en regionale instanties om de sterke en zwakke punten, grootte en groeitrends van zowel de creatieve sector als de bredere culturele sector, publiek en privaat, te meten en te evalueren en te kijken hoe deze actief op elkaar inspelen. Het is een instrument dat landelijke, regionale en locale overheden in staat stelt het kwantitatieve uitgangspunt vast te stellen voor de creatieve sector en de bredere culturele sector. Daarmee biedt het informatie over werkgelegenheid, zakelijke berekeningen en omzet. Uit de meeste studies waar ik bij betrokken ben geweest in het Verenigd Koninkrijk, blijkt er een stabiele groeitrend te zijn op al deze gebieden. Het wordt hiermee mogelijk om te laten zien dat de culturele sector een belangrijke rol speelt in de lokale en regionale economie in vergelijking met de verwerkende industrie, de bouw en andere dienstverlenende sectoren. Dit is het uitgangspunt waar instanties voor financiering, investering, zakelijke ondersteuning en andere economische ontwikkeling het meest in zijn geïnteresseerd. Maar er is meer.
In het Verenigd Koninkrijk, Australië, Brazilië en Hongkong – en ook steeds meer op het vasteland van China - is de agenda voor de creatieve sector cruciaal geweest in het geven van een impuls, niet alleen aan de strategische erkenning van de economische rol van cultuur, maar ook aan bredere sociale en culturele beleidskwesties zoals culturele diversiteit. Dit maakt onderdeel uit van een algemene verschuiving in de benadering van kunst en cultuur. Tekorten subsidiëren noemen we nu liever investeren.en in plaats van de ‘economische impact van kunst en cultuur’, praten we thans liever over een ‘creatieve industrie’, ‘creatieve economie’ of ‘kenniseconomie’. Deze nieuwe benadering die in de context van culturele diversiteit ‘productieve diversiteit’ is genoemd, wordt ondersteund door recent onderzoek van Richard Florida en anderen. Het laat zien dat culturele diversiteit – van mensen, van vaardigheden en praktijken, van producten, van markten en voorkeuren en lifestyles – goed is voor vernieuwing en het bouwen van de capaciteit voor duurzaamheid in een creatieve kenniseconomie. Deze strategische wending in cultureel beleid gaat gepaard met het opkomen van het concept en de realiteit van de culturele ecologie of het culturele ecosysteem. Dit is een manier om het dynamische en vruchtbare karkater van de relatie tussen publiek gefinancierde cultuur en de bredere commerciële en creatieve sector te begrijpen. Richard Florida noemt dit het brede ecosysteem dat creativiteit koestert en ondersteunt en definieert dit als volgt: “… een ondersteunend sociaal milieu dat openstaat voor alle vormen van creativiteit, zowel artistiek en cultureel als technologisch en economisch. Dit milieu levert het onderliggende ecosysteem of habitat, waarin de multi-dimensionale vormen van creativiteit wortelen en gedijen. Het ondersteunen van lifestyle en culturele uitingsvormen zoals een nieuwe, progressieve muziekscene of een levendige artistieke gemeenschap, zal helpen om mensen die zakelijk en technologisch creëren aan te trekken en te stimuleren.”
Publieke investering in cultuur – door locale, regionale en landelijke organisaties – is een essentieel onderdeel van deze ecologie. Het is een ecologie omdat, zoals uit landelijk en internationaal onderzoek blijkt, publieke investering in cultuur een dynamische en productieve relatie heeft met de bredere levensvatbaarheid en het welzijn van de creatieve economie. In verschillende studies waaraan ik heb meegewerkt in het Verenigd Koninkrijk, met name in Nottingham en Bath, is het mogelijk geweest om aan te tonen dat het bestaan van publiek gefinancierde culturele faciliteiten in een bepaald gebied – zoals muzikale buurt projecten, festivals, bibliotheken, musea en kunstgaleries, filmcentra – een positieve aantrekkingskracht hebben op sectoren en bedrijven die steeds vaker naar de binnensteden trekken. Het bestaan van zulke programma’s en faciliteiten draagt bij aan de kwaliteit en de sfeer van een plaats, en ze spelen een belangrijke rol in interne investeringsbesluiten. Er is ook een stabiele stroom van mensen, talent en inhoud tussen de gesubsidieerde culturele sector en de commerciële creatieve sector. Deze zijn, zogezegd, de vitale micro-organismen van de culturele ecologie. Tot de bredere ‘creatieve kenniseconomie’ waarvoor deze ecologie cruciaal is wat duurzaamheid betreft, behoren auteursrecht, op patent gebaseerde ondernemingen, onderzoek en ontwikkeling, en de creatieve sector zoals gedefinieerd in het Verenigd Koninkrijk. Allemaal zijn zij gebaseerd op intellectueel eigendom en zijn door ICT sterk verbeterd, operationeel gezien en wat betreft marktgroei. Op basis van de cijfers van 1999 werd de wereldwijde creatieve economie geschat op 2,24 triljoen dollar of 7,3 procent van het wereldwijde bruto binnenlands product. Deze economie groeit wereldwijd 14 procent per jaar en het ziet er naar uit dat deze wereldwijd tot 6,1 triljoen dollar zal stijgen tegen het jaar 2020.
Een recente reactie op deze kwesties is het landelijke Creative Economy Programme van het ministerie van Cultuur, Media en Sport. De rapporten uit dit initiatief noemen de volgende mogelijkheden, vraagstukken en implicaties voor het plaatsen van cultuur binnen de bredere creatieve economie. Het vermeldt verder problemen die van direct belang zijn voor hen die in de culturele sector werken:
Om deze vraagstukken en problemen aan te pakken is heel wat meer ‘gezamenlijk denkwerk’ en ‘gezamenlijke overheid’ nodig die programma’s, beleid en instanties verantwoordelijk voor cultuur, de economie, planning, regionale ontwikkeling, sociale insluiting en het democratische beheer van culturele diversiteit verbinden. Het zal betekenen dat er afstand genomen moet worden van de ivoren torens waarin culturele instanties en financieringsprogramma’s zich vaak nog bevinden om plaats te maken voor meer strategische en horizontale programma’s en dat beleid in nieuwe partnerships met scenario’s op lokaal, regionaal en landelijk niveau ontwikkeld moet worden. Door prioriteiten te stellen en verbanden te leggen tussen infrastructuur, financiering en zakelijke ondersteuning, technologie, training, intellectueel eigendom, diversiteit en het bouwen van een solide basis voor analyse lijkt het erop dat het ‘Creative Economy Programme’ een bruikbare context levert om dit alles met elkaar te verbinden. Dit is een nieuw landschap waarin gevestigde culturele instanties en beleidsorganisaties kunnen onderhandelen. Duidelijk is, dat als zij dit niet doen, dit ten koste zal gaan van zowel het creatieve als het competitieve voordeel.
Vertaling: Liesbeth van Woerden


