Too close for comfort?
Hoe vaak en hoe goed communiceer je met je naaste buren? Het antwoord is meestal óf 'regelmatig en heel goed' óf 'zelden en slecht'. De ongeschreven regel is, dat het verschil tussen positieve en minder positieve burenrelaties vooral wordt bepaald door de aanwezigheid van goede wil.
Deze ongeschreven regel geldt wellicht ook voor de culturele betrekkingen tussen naburige landen. De geografische nabijheid kan een handicap zijn, je ervan weerhouden je te verdiepen in de realiteit van de naast jou gelegen culturen en samenlevingen en kan je ervan weerhouden die te accepteren. Dit verschijnsel heeft jarenlang een aantal aspecten van de culturele uitwisseling tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk gekleurd. Voor sommige Nederlandse cultuurbeoefenaars - met name op het gebied van hedendaagse muziek, jazz, beeldende kunst en, in mindere mate, dans - is uitwisseling iets wat geregeld voorkomt, een onderdeel van de programmering. Voor anderen (bijvoorbeeld op het gebied van theater en literatuur) lijkt het wel alsof de twee landen verschillende planeten zijn. Tot op zekere hoogte begrijpelijk, gezien de moeilijkheden die ontstaan wanneer de literaire producten van een wereldtaal gekoppeld worden aan een Europese minderheidstaal of omgekeerd. Het probleem ligt uiteraard veel subtieler dan dat, maar het gaat verrassend diep.
In de Nederlandse en Britse geschiedenis is de, wat Jan Morris 'esthetica van het Britse (who the hell is jan morris) rijk' noemde, natuurlijk onmiskenbaar aanwezig. Maar in Groot-Brittannië zijn de sporen van dit erfgoed hardnekkiger. Groot-Brittannië, in het algemeen nog altijd een cultuur die het gemakkelijker vindt om over te dan over te , heeft problemen met internationale uitwisseling. Inmiddels is op dat gebied wel een stille revolutie voltrokken.
Er zijn in Groot-Brittannië onderling strijdige krachten waarneembaar: de zelfverzekerde bravoure van een land dat op wereldniveau meetelt in de kunst, getemperd door de neiging om met enige afgunst te kijken naar het cultuurbeleid en de ondersteuning van de kunst op het Europese vasteland.
En hoe zit dat met de Nederlanders? Vrijwel hetzelfde (althans volgens deze auteur, die nu vijftien jaar met één been in beide werelden staat en werkt): er bestaat groot zelfvertrouwen, maar weerstand tegen de zware druk van overheidsbemoeienis. En verbolgenheid dat een deel van de met taal verbonden kunstvormen niet de internationale aandacht krijgen die zij verdienen.
In maart is op een kleine en heel praktisch gerichte weekendconferentie in Haarlem concreet ingegaan op het punt van de Brits-Nederlandse internationale uitwisseling. Deze conferentie had een aantal heel eenvoudige doelstellingen. In de eerste plaats: bekijken in hoeverre de Nederlandse en Britse culturele wereld op dezelfde waarden en ideeën zijn gebaseerd en of dit de uitwisseling bevordert of juist belemmert. In de tweede plaats: het stimuleren van netwerkgedrag dat uitmondt in nieuwe contacten en projecten, en, in de derde plaats: samenwerken aan een aantal praktische stappen die kunnen worden genomen om de Brits-Nederlandse interactie te bevorderen.
Deze conferentie was georganiseerd op instigatie van staatssecretaris Van der Ploeg zelf, die te kennen had gegeven dat hij graag meer uitwisseling tussen deze twee landen zou zien: het Haarlem-initiatief was ontstaan tijdens een voorbereidende brainstormsessie in september 2000, op het Internationale Festival van Edinburgh, toen een stuk of twintig Britten uit de kunstwereld in aanwezigheid van Van der Ploeg over deze kwestie spraken.
Iets meer dan honderd uitvoerend kunstenaars, ongeveer evenveel Nederlanders als Britten, namen deel aan het seminar in Haarlem, dat werd gesteund door de ministeries van OCenW en Buitenlandse Zaken en was georganiseerd door Concertgebouw en Stadsschouwburg Haarlem, the British Council, Theater Instituut Nederland, Muziekgroep Nederland en het Fonds voor de Podiumkunsten. De organisatoren hadden natuurlijk net iets te veel in het programma willen wringen en de zware vertegenwoordiging uit de theaterwereld wekte enige irritatie bij vertegenwoordigers uit de muziek- en danswereld, maar aan het einde van het weekend was er een verrassende mate van eenstemmigheid bereikt.
De bedoeling om het praktisch te houden was juist. Vier Nederlandse en vier Britse gasten werden kort voor de conferentie op intensieve praktijkbezoeken gestuurd. Hun inzichten, frustraties en ontdekkingen gaven van meet af aan een impuls aan de toon en het niveau van de discussie. Aan het einde van de besprekingen was duidelijk dat zulke standaardonderdeel bij toekomstige uitwisselingen zouden moeten zijn.
Geen van de in Haarlem bereikte conclusies iswas revolutionair te noemen. De aanbevelingen, die op de laatste middag door vijf thematische werkgroepen naar voren zijn werden gebracht, vertoonden een verbazingwekkende symmetrie en zijnwaren zeer herkenbaar voor iedereen met enige ervaring in internationale uitwisseling. Hoe komen we aan de informatie die we nodig hebben, met name als het gaat om de beste partner voor ons werk? Als we samen ideeën ontwikkelen, hoe gemakkelijk en flexibel wordt daar dan op gereageerd door de diverse fondsen in beide landen?
De belangrijkste ontdekking was, dat vooral onderling verkeer tussen personen en organisaties leidt tot verbetering van de culturele samenwerking. Dit organische proces, dat begint met goede wil, is nog altijd de drijvende kracht achter het overgaan van grenzen, zowel fysiek als in de geest.
Het lijkt erop dat in elk geval aan Nederlandse zijde de nieuwe HGIS-Cultuurmiddelen worden bestemd voor toekomstige samenwerking tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland. De boodschap vanuit de praktijk is helder: steun in de eerste plaats het contact tussen mensen. De kwaliteit van de ideeën die daaruit voortkomen, zal er des te beter om zijn.
Vertaling: Pien de Die


