Samenwerken voor gemeenschappelijk erfgoed
Nederland werkt samen met Suriname en Ghana aan het behoud van gemeenschappelijk erfgoed. De zorg hiervoor beperkt zich niet tot de monumenten zelf, maar strekt zich uit tot de omgeving.
Wil je in ontwikkelingslanden aan monumentenzorg doen, dan is een brede aanpak, die ook de omgeving en de bevolking betrekt, doorslaggevend. De lokale bevolking en andere betrokkenen moeten zich in de opzet van beheer en behoud kunnen vinden. Dat is de ervaring van Peter van Dun, architect en beleidsmedewerker bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ). Van Dun ontwierp met Surinaamse architecten en in samenwerking met de bevolking een stadsvernieuwingsplan voor Paramaribo, waarvan monumentenzorg een onderdeel was. De hiermee opgedane kennis gebruikt Van Dun bij een soortgelijk project in Ghana.
Surinaamse architecten vroegen de RDMZ in 1994 om hulp bij het opknappen van huizen in de binnenstad van Paramaribo. De huizen, die in zeer slechte staat verkeerden, waren in de negentiende eeuw door Nederlanders gebouwd. 'Daarom vonden de architecten dat ook Nederland hier verantwoordelijk voor was', zegt Van Dun. In datzelfde jaar sloot Nederland met de regering Venetiaan een raamovereenkomst af. Hierin werd een miljoen gulden voor monumentenzorg gereserveerd, waarvan drie ton voor de voorbereiding en de rest voor de restauratie zelf. Door bureaucratie en miscommunicatie tussen het ministerie van OCenW en Buitenlandse Zaken kwam het echter pas in 1997 tot een plan van aanpak voor de binnenstad van Paramaribo.
Het stadsvernieuwingsplan dat toen werd ontwikkeld, maakte gebruik van de bestaande bebouwing en infrastructuur. Het verbeteren van de leefomgeving van de lokale bevolking stond daarbij centraal. 'Doe je dat niet, dan wordt monumentenzorg een elitaire, academische aangelegenheid die je alleen overeind houdt door veel geld te investeren. Je moet mensen eerst overtuigen dat zo'n integrale aanpak de basis moet zijn. Als het niet wordt gedragen door de bevolking is het na tien jaar weer een puinhoop', volgens Van Dun.
In het vernieuwingsplan staan drie elementen centraal: politiek draagvlak, bewustwording van de bevolking en economische haalbaarheid. Van Dun: 'De vraag kwam dan wel van die architecten, maar ook de politiek moet achter de structurele aanpak van RDMZ staan. Daarvoor hebben we een methode ontwikkeld. Academische rapporten werken niet, die verdwijnen in de la. We noemen het ook zelden "erfgoed", want het is hún erfgoed meestal niet. Het zijn gebouwen die in de stijl van de toenmalige koloniale overheerser zijn gebouwd. Wat wel werkt, is duidelijk maken welk ontwikkelingspotentieel erin zit. Soms laten we eerst via pilotprojecten zien wat we bedoelen.'
Is de politiek geïnteresseerd, dan wordt de bevolking bij het project betrokken. Daarvoor maakten Surinaamse studenten eerst een inventarisatie van de stad. Ze keken welke panden beeldbepalend waren, hoe de technische staat was en hoe het was gesteld met de woonkwaliteit. In kleine theatertjes werden vervolgens inspraakavonden georganiseerd. Computers brachten de resultaten van de inventarisatie in beeld. 'Er kwamen erg veel mensen op af die zo zelf konden zeggen of ze er heil in zagen', vertelt Van Dun. 'In de gevormde organisatiestructuur is later met de opmerkingen van het publiek heel duidelijk rekening gehouden.' Tijdens de avonden kwamen ook duidelijk standpunten over de economische haalbaarheid aan de orde. Het bedrijfsleven had voorgesteld als onafhankelijke instituut te fungeren voor de uitvoering van het plan. Van Dun: 'Daar was de bevolking als de dood voor. "Dat wordt witwassen van zwart geld", zeiden ze. Op hun verzoek is toen besloten tot een organisatie, waar behalve het particulier bedrijfsleven ook vertegenwoordigers van de overheid en de bewoners zitting namen. Daarom is een NV Stadsbeheer voorgesteld. Ik vond die zelfbedachte structuur heel boeiend.'
Inmiddels is door de huidige politieke situatie het beloofde startkapitaal van zeven ton bevroren. 'Maar minister Herfkens is net in Suriname geweest, en ik hoop dat het nu allemaal in het reine komt', zegt van Dun. 'Gelukkig heeft de EU enkele verplichtingen van Nederland overgenomen, waardoor toch een aantal panden in restauratie is.'
UNESCO Ghana kwam in 1999 met een verzoek om herstel van gemeenschappelijk erfgoed: het Ussherfort in Accra. In Ghana bevinden zich diverse forten die ooit gebouwd zijn door de West-Indische Compagnie. In eerste instantie voor goudopslag, later als tussenstation voor slaven. Het Ussherfort zou een toeristische bestemming krijgen en daar zou de bevolking van meeprofiteren. Toen begin 2000 een delegatie van de RMDZ samen met collega's van de Ghana Museums and Monuments Board (GMMB) de forten bezocht, werd geconstateerd dat het herstel van de forten weinig draagvlak zou krijgen. Net als in Paramaribo werd hier voor een integraal stadsvernieuwingsplan gekozen. 'De forten zijn ook nog in redelijke staat', vertelt Van Dun, 'maar eromheen liggen stadjes waar vreselijke woontoestanden heersen. We hebben voorgesteld met een stadsvernieuwingsproject in Elmina te beginnen. Hier wordt volgens hetzelfde principe als in Paramaribo gewerkt en zullen studenten het project mede dragen. Voor twintig van deze Ghanese studenten is in Rotterdam een Inner city development postacademische opleiding in de maak aan het Institute of Housing and urban development Studies (IHS, p. 13). Deze zal vermoedelijk begin 2001 starten en de studenten krijgen dan hier een opleiding van zo'n twee tot drie maanden.'
Voor het beheer is een NV Fortenbeheer voorgesteld, een onafhankelijke organisatie waarin de overheid vijftig procent van de aandelen houdt. 'Deze organisatie zal fondsen gaan werven', vertelt Peter van Dun. 'Mogelijke kandidaten zijn zwarte Amerikanen die hun root in Ghana hebben. Zij beschouwen de forten als bedevaartsoorden omdat van daaruit slaven zijn verscheept.' Bijzonder is dat de GMMB en de RDMZ samen een joint venture willen vormen. 'Dat is puur op technisch niveau', verklaart Van Dun. 'Dan ben je namelijk uit die politieke context en we hebben in Suriname ervaren dat de politiek nogal eens belemmerend wil werken.'
Marlies Mielekamp is freelance journaliste.


