SICA, Trans Artists and MEDIA Desk Netherlands have merged into the organisation for international cultural cooperation. Read more

Close

Rotterdam filmstad, cultuur, werkgelegenheid en prestige

Dit artikel is gepubliceerd in SICAmag editie 5, 2000.

De cijfers spreken voor zich. Van een paar honderd filmfans in 1972, onder aanvoering van inspirator en oprichter Hubert Bals, naar 320.000 verkochte kaartjes dit jaar. Het Internationaal Film Festival Rotterdam (IFFR) is binnen dertig jaar uitgegroeid tot een van de grootste culturele manifestaties in Nederland en een filmfestival met internationale allure. Cannes, Venetië en Berlijn zijn van een andere orde, maar Rotterdam telt internationaal wel degelijk mee.

De gemeente Rotterdam plukt er dankbaar de vruchten van. Het festival verhoogt niet alleen het culturele prestige van de stad, in binnen- en buitenland, maar zorgt economisch gezien voor een enorme opleving voor met name de horeca. De tien dagen dat het festival duurt, traditioneel zo rond eind januari en begin februari, is waarschijnlijk de enige periode in het jaar dat de hotels volledig volgeboekt zitten en de restaurants beduidend meer omzetten. Dit jaar telde men zo'n 1500 buitenlandse gasten, onder wie 200 journalisten. Voor een kort moment bereikt de stad in ieder geval dat het geijkte imago van 'arbeidersstad zonder cultuur' wordt bijgesteld.
In Nederland is het IFFR veruit het grootste filmfestival. Het International Documentaire Festival Amsterdam (IDFA) is met zijn 50.000 bezoekers een goede, maar bescheiden tweede. Internationaal gezien spreekt men van een concurrentieverhouding met het festival in Berlijn, dat een week na Rotterdam begint. Er is wel eens sprake van getouwtrek rond een of twee films, maar over het algemeen heeft Berlijn toch meer aantrekkingskracht op de grotere Amerikaanse producties en hun voor veel geld ingehuurde sterren. Leonardo di Caprio, Oliver Stone, Jeanne Moreau, Milos Forman en Denzel Washington, om maar een paar supersterren te noemen, gaven dit jaar acte de présence in Berlijn en niet in Rotterdam. Ze schreden het Berlin Palast binnen en schuifelden niet over het gladde Schouwburgplein.
Inhoudelijk gezien biedt het Rotterdamse festival een vrij unieke combinatie van puur commerciële Amerikaanse producties en meer artistiek interessante films. Met daarnaast het programma, waar nieuwe digitale filmontwikkelingen worden gepresenteerd en de Cinemart, één van de eerste zogenaamde coproductiemarkten, die over de gehele wereld navolging kreeg.
In zijn veelzijdigheid is Rotterdam vrij uniek als filmfestival. Het experiment wordt niet geschuwd en jaarlijks worden nieuwe doelgroepen bereikt. Dertig procent van de bezoekers gaf dit jaar aan dat het hun eerste kennismaking met het festival was. Dat cijfer zegt alles over het nog aanwezige potentieel en de goed geoliede marketingmachine, waar hoofdsponsor een belangrijk aandeel in heeft.
De in het kielzog van het festival ontwikkelde nieuwe filminitiatieven beginnen de laatste jaren, zij het schoorvoetend, van de grond te komen. Vanuit verschillende fronten wordt ernaar gestreefd om de filmsector ook in de rest van het jaar te stimuleren. Met name het in 1996 opgerichte Filmfonds Rotterdam (FFR) heeft tot doel om de audiovisuele bedrijvigheid in de stad te stimuleren. Producenten worden met leningen naar de stad gelokt om op Rotterdamse locaties en met Rotterdamse faciliteiten films te maken. Op die wijze verdienen de leningen zichzelf terug. De aanstelling van een , in de persoon van Jacques van Heijningen, voormalig directeur van het Nederlands Filmfestival, is het meest recente initiatief om de positie van Rotterdam als filmstad verder uit te bouwen. De filmsector heeft een economische groeipotentie en biedt volop werkgelegenheid, zo is de achterliggende redenering van de gemeente bij deze aanstelling. De komst van het Amsterdamse Filmmuseum lijkt dan wel voorlopig afgeketst, maar de filmindustrie in Rotterdam gaat energieke tijden tegemoet, dat is een ding dat zeker is.