Promotie Nederlands theater in buitenland nog steeds in de kinderschoenen
Het Nederlandse theater staat internationaal in hoog aanzien, zo wil de mare. Maar hoe staat het eigenlijk in 2004 met de reputatie van Nederlandse gezelschappen in het buitenland? Kunnen Nederlandse gezelschappen concurreren in het buitenland? Wie bekommert zich daar om? En hoe vergaat het buitenlandse gezelschappen in Nederland? Een korte inventarisatie.
Voor de promotie van Nederlands theater in het buitenland is vreemd genoeg geen structurele voorziening meer in het Nederlands kunstbeleid. Tot een jaar of vier geleden hield het Theater Instituut Nederland zich met deze taak bezig, maar daar werd het wegbezuinigd mede op basis van scherpe kritiek van de Raad voor Cultuur. Wel zijn er tijdelijke projecten die door verschillende organisaties worden uitgevoerd. Onno Stokvis is coördinator van het International Office van het Theater Instituut Nederland (TIN). Hoe worden de gezelschappen hiervoor gekozen? Stokvis: "We richten ons op grote en middelgrote groepen die in Nederland een goede positie hebben. Ook is van belang dat de gezelschappen blijk geven van een internationale ambitie. Groepen als Emio Greco PC, Elshout Händler en misschien Conny Janssen Danst zijn daar voorbeelden van." Een wat zuinige opsomming, Nederland heeft immers ruim dertig dansgezelschappen. Stokvis: "De dans in Nederland heeft een goed niveau, maar dat we internationaal flink meetellen, is relatief."
Stokvis somt een aantal factoren op waaraan succes van het project Dutch Drama and Dance @ DE afgemeten wordt: "Ten eerste moet er sprake zijn van een toename van het aantal speelbeurten. Ten tweede moet er een relatie zijn ontstaan tussen Nederlandse gezelschappen en Duitse theaters. Als derde geldt dat in Duitsland nog onbekende groepen toegang tot podia moeten hebben gekregen. De vierde factor is als uitstraling naar de regio heeft plaatsgevonden. Als laatste geldt dat de deelnemers tevreden moeten zijn." Alleen het eerste, toename van speelbeurten is echt meetbaar, maar dat geldt vaak bij dit soort projecten. Het is thans nog te vroeg om hierover uitspraken te doen. Ook doemt de vraag op of zo'n project geen concurrentievervalsing is, omdat sommige groepen wel en andere niet gepromoot worden met veel overheidsgeld. Stokvis: "Die vraag is in Duitsland ook gesteld. Ik weet het niet zo goed. Wat is oneerlijk?" Lineke Burghout van het Directieoverleg Dansgezelschappen (DOD) twijfelt ook: "Vind ik moeilijk te beoordelen". Uit onvrede over de werkwijze van het TIN wil het DOD zelf de internationale promotie voor dansgezelschappen ontwikkelen. "De criteria bij TIN zijn onduidelijk, de keuze wordt toch vooral door één persoon bepaald. De gezelschappen vinden dat het TIN met de huidige werkwijze niet de hele sector vertegenwoordigt in het buitenland, maar vooral de groepen die Stokvis zelf ziet zitten." Stokvis voelt zich niet aangesproken door deze argumenten: "Mensen dichten mij vaak een grote macht toe, maar die is beperkt. Podia nemen toch alleen die groepen die ze zelf willen programmeren." Burghout: "Kan zijn, maar hoe die contacten precies lopen weten we als gezelschappen nooit. We weten wel dat er ook in de fase van het informeren al aanbod geselecteerd wordt en daar zijn we op tegen."
De mening van Stokvis over de internationale potentie van Nederlandse dansgroepen wordt gedeeld door Jaap van Baasbank. Als medeoprichter van impresariaat Baasbank & Baggerman haalt hij al twintig jaar met succes buitenlandse theatergezelschappen naar Nederland. Daar zitten kaskrakers bij als Stomp, maar vooral ook dansgroepen als Les Ballets C de la B, en La la la Human Steps. Van Baasbank heeft een wereldwijd netwerk en is niet onder de indruk van de reputatie van Nederlandse theatergroepen in het buitenland. "In de dans is sinds jaar en dag het NDT overal te zien en is verder eigenlijk alleen Emio Greco een belangrijk nieuw talent, dat overal zijn voorstellingen kan spelen. Als je bij toneel de incidenten als Theu Boermans bij het prestigieuze Burgtheater in Wenen buiten beschouwing laat, moet je constateren dat alleen Johan Simons overal in Europa een uitstekende naam heeft."
Waarom komen buitenlandse groepen eigenlijk graag naar Nederland? "Wat zwaar telt voor Nederland is onze unieke culturele infrastructuur. Wij hebben hier uitstekend geoutilleerde theaters. Maar het wordt de laatste jaren wel moeilijker. Dat komt door de verplatting; cabaret en musical vormen een steeds groter deel van de programmering. Wat ook speelt is dat veel groepen in andere landen meer publiek trekken dan bij ons. Kennelijk leeft het meer verantwoorde theateraanbod in andere landen meer dan bij ons. Nederland is volgens mij vercabarettiseerd. Neem een Akram Khan, wereldwijd beschouwd als een van de grootste choreografen van de laatste jaren, hij kan hier in zeven theaters spelen en dan moet er keihard gewerkt worden om 350 mensen per avond te trekken. In Théâtre de la Ville in Parijs staat zo'n voorstelling een week voor uitverkochte zalen, maar ook in steden als Brugge en Düsseldorf trekt Khan volle zalen. Wij werken niet met subsidies en hebben beperkte menskracht. Dat wreekt zich bij inspanningen om de zalen goed vol te krijgen. Een ander obstakel is de arbo-wet. Die werkt zwaar kostenverhogend en kan de concurrentiepositie van Nederland op den duur wel aantasten."
Om het publieksbereik van Vlaamse gezelschappen in Nederland en Nederlandse in Vlaanderen te vergroten, bestaan er sinds vier jaar de zogenoemde culturele vuurtorens. In de praktijk blijkt het Vuurtorenproject niet overal goed te werken. Arjen Barel die als impresario de afgelopen jaren de helft van het Vlaams aanbod in Nederland vertegenwoordigde, is er ronduit negatief over. "Het heeft niets opgeleverd. OCW controleerde de ingeleverde plannen onvoldoende, criteria waren vaag en het aantal speelbeurten is gedaald. Sommige Vuurtorens financierden er zelfs het Ballet van Vlaanderen mee, laagdrempelig aanbod dat zichzelf wel verkoopt." "Dat klopt" zegt Ed Scherpenhuizen, beleidsmedewerker theater van de Directie Kunsten van OCW: "Wij zullen die podia daar op aanspreken." Scherpenhuizen is ook niet zo positief over het Vuurtorenproject. "Mijn gevoelens zijn ambivalent. In Haarlem en Groningen zijn tastbare activiteiten ontwikkeld, zoals de campagne Vlaamse Reus en het festival de Hel van het Noorden." Of dit betekent dat de andere Vuurtorens onvoldoende resultaten hebben geboekt, wil Scherpenhuizen niet zeggen. Ook Frans Lommerse van de Toneelschuur in Haarlem hult zich in stilzwijgen als het om andere podia gaat. "Wij hebben extra marketinginspanning ontwikkeld met meer speelbeurten en meer publiek als resultaat. Hoe het elders gaat, weet ik niet." Jacqueline Schoemaker, projectleider van "Theater uit Vlaanderen" bij de Brakke Grond, werkt momenteel aan de derde studie van de Brakke Grond naar Vlaamse voorstellingen op Nederlandse podia. "Er wordt vaak aangenomen dat het aantal speelbeurten van Vlaamse groepen in Nederland de laatste jaren dalende is, maar vorig seizoen was dat niet het geval. De exacte cijfers van dit seizoen zijn binnenkort beschikbaar." Ook volgens Schoemaker heerst er nogal wat onduidelijkheid over hoe de vuurtorens hun budget besteden. "De criteria zijn zodanig breed gesteld dat iedere vuurtoren er een verschillende invulling aan geeft. Dit vertroebelt de zichtbaarheid van de vuurtorens en maakt het moeilijk om het project duidelijk te evalueren. Optredens van het Ballet van Vlaanderen mogen van OCW niet, maar van Schoenmakers wel met Vuurtorengeld gefinancierd worden: "Theaters mogen zelf bepalen hoe ze dat geld besteden." Wat de vage criteria en toetsing betreffen heeft impresario Barel dus gelijk.
Veel Vlaamse groepen bespelen kleine zalen, een segment waar het totale aanbod de afgelopen jaren flink is gestegen. Is de Vuurtoren-regeling eigenlijk geen oneerlijke concurrentie? Scherpenhuizen van OCW aarzelt: "Elke keuze is arbitrair." Arjen Barel is duidelijker: "Ik denk dat het wel degelijk oneerlijke concurrentie is." Vergeleken met Nederland krijgen podia in België meer subsidie en gezelschappen minder. Dit maakt Vlaams aanbod in Nederland duur. Voeg dat bij het toegenomen totale aanbod en het is duidelijk dat programmeurs Nederlands aanbod prefereren boven dat uit Vlaanderen.
De concurrentieverhoudingen binnen het Nederlandstalige aanbod zijn scheef gegroeid, maar ook de internationale concurrentie staat flink onder druk. Dat Nederlandse podiumkunsten internationaal een sterke reputatie hebben, lijkt niet langer houdbaar, gezien de uitspraken van deskundigen als Van Baasbank en Stokvis. Vanuit internationaal perspectief staat vast dat zowel de artistieke kwaliteit in de breedte flink verbeterd moet worden, wil Nederlands theater een geduchte concurrent zijn van en in andere landen. Onontkoombaar is een organisatie die de collectieve marketing en promotie van Nederlandse podiumkunsten in het buitenland gaat aanpakken. Wat er nu gebeurt, is incidentenbeleid. De projecten mogen dan op zich zinnig zijn, hoewel dat ook nog moet blijken, het is natuurlijk een gotspe dat er anno 2004 in Nederland geen enkele organisatie planmatig aan internationale theaterpromotie doet. Feitelijk staat de pr van Nederlands theater in het buitenland nog steeds in de kinderschoenen, ondanks de jarenlange inspanningen van de onvermoeibare Arthur Sonnen.
Wie moet die taak krijgen? Het DOD heeft met prijzenswaardige vasthoudendheid de collectieve danspromotie in Nederland opgezet, maar voor toneel bestaat zoiets nog niet. Doordat het TIN de promotie van het Nederlandse theater in het buitenland niet meer mag uitvoeren, is het veroordeeld tot het huidige projectenbeleid bij TIN. Toch lijkt het TIN als sectorinstituut, al of niet met ondersteuning van de opgebouwde expertise van de SICA, een logische kandidaat om deze taak in de toekomst weer op zich te nemen. Maar ook bij het Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten bestaan plannen voor een buitenlandinstituut voor de podiumkunsten. Wie het ook gaat doen, welk instituut dan ook, het blijft vooral mensenwerk. Nodig zijn deskundigen op gebied van dans en toneel, mensen met internationale netwerken die het vertrouwen genieten van de sector, diplomatiek kunnen handelen en in staat zijn om vriendschappen te maken en te onderhouden. Geen geringe opgave, maar toch niet onmogelijk?
Om de contacten tussen de betrokken landen te versterken en de deuren naar de VS en Canada voor Nederlandse makers te openen, is het project 'Nieuw Nederland, Revisited' geïnitieerd. Drie jaar zijn voor het project uitgetrokken, daarna is het aan de kunstenaars zelf om de contacten te verstevigen. Een vergelijkbaar project gericht op Duitsland heet Dutch Drama and Dance @ DE.
Vuurtorens zijn bepaalde Nederlandse en Vlaamse theaters die van de overheid subsidie krijgen om elkaars theater over de grenzen heen te programmeren en te promoten. Er wordt gestreefd naar het opzetten van een netwerk om gezamenlijk publiciteit te voeren, projecten uit te wisselen, aan tourneevorming te doen enz. De Vuurtorens worden gecoördineerd door de Brakke Grond. Deelnemende partners in Nederland: Grand Theatre in Groningen, de Toneelschuur in Haarlem, de Rotterdamse Schouwburg , Lantaren-Venster in Rotterdam, Huis aan de Werf en Theater Kikker in Utrecht, Stadsschouwburg Utrecht , Stadsschouwburg Eindhoven en Plaza Futura in Eindhoven.
W http://www.tin.nl/io http://www.fapk.nl http://dans-beweegt-je.nl http://www.theateruitvlaanderen.nl
Zie ook artikel: Buitenlandse deskundigen over kunst en cultuur in Nederland


