Helsinki en Hoofddorp: van het kastje naar de muur
24 november 2002 arriveerde op Schiphol een vooraanstaand museumconservator uit Rusland om een baanbrekende studie te verrichten naar een onbestudeerd aspect van de etsen van Rembrandt. Ik noem hem R.
R. kwam op eigen initiatief naar Nederland, als recipiënt van een felbegeerd stipendium van de Getty Trust in Los Angeles. Om toestemming te krijgen om in ons land Amerikaans geld uit te geven aan een Nederlands onderzoeksproject moest hij een lijdensweg doorstaan die je alleen je ergste vijand toewenst.
Het begon afgelopen april, toen R. naar het Nederlandse consulaat stapte in de stad waar hij woont en een visum aanvroeg, ruim op tijd voor zijn beoogde vertrek in juli. De volgende eisen werden hem gesteld: een officiële uitnodiging van een Nederlandse gastheer; garanties van Nederlandse sponsors die de Nederlandse staat vrijwaren van verplichtingen jegens hem; een beëdigde verklaring van hemzelf dat hij aan het eind van zijn bezoek het land zal verlaten; attesten van goed gedrag; een notarieel bekrachtigd afschrift van zijn trouwakte; uittreksels uit het geboorteregister van hem en zijn familie, terwijl zowel trouw- als geboortebewijzen voorzien moesten zijn van een beëdigde vertaling.
Aangezien hij van plan was hier meer dan 90 dagen te blijven, was een fiat van het consulaat niet voldoende voor het krijgen van een visum, maar had R. een Machtiging tot Voorlopig Verblijf (MVV) van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) nodig. Nieuwe formulieren werden ingevuld, nieuwe fotokopieën gemaakt. Na de drie maanden die voor een visum gelden, kreeg mijn vriend te horen dat het nog eens twee tot drie weken zou duren om zijn dossier van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag naar de Hoofddorpse vestiging van de IND te krijgen.
Zijn vliegtickets moest hij annuleren, maar een nieuwe vertrekdatum had hij niet, want de autoriteiten in Nederland konden hem onmogelijk vertellen wanneer hij weg mocht. Bij de IND werd een belangrijk nieuw probleem ontdekt. De dienst heeft namelijk geen categorie voor onderzoekers die met een stipendium naar ons land komen en weigerde om voor dit bijzondere geval een categorie te maken. Dus konden de Hoofddorpse ambtenaren de aanvraag alleen dán in behandeling nemen wanneer hij werd aangepast om in een van hun vakjes te passen. Maar omdat alle bestaande vakjes betrekking hebben op arbeid in dienstverband of op een of andere uitkering, was R. nu genoodzaakt een werkvergunning aan te vragen. En dat kostte zes weken.
Per 24 november - de dag van R.'s aankomst in Nederland en de dag dat ik dit schrijf - is het proces nog niet ten einde. Morgen moet R. naar de Vreemdelingenpolitie om zijn papieren in bezit te krijgen. Dat kan drie weken duren. R. houdt zijn hart vast. Hij is zo vaak met een kluitje in het riet gestuurd dat hij er niet meer in gelooft.
Dit staaltje van Nederlandse bureaucratie is niet alleen maar dolmakend en vernederend, het is ook, door zijn categorisch negeren van persoonlijke noden en gevoelens, in strijd met de mensenrechten. In 1975, bij het Slotakkoord van Helsinki, beloofde Nederland 'het reizen voor persoonlijke en zakelijke redenen' te vergemakkelijken en 'de procedures voor uit- en inreizen te vereenvoudigen en flexibel toe te passen'. Iets vertelt mij dat deze bepalingen niet zijn medegedeeld aan de functionarissen die verantwoordelijk zijn voor de behandeling van R.'s zaak, en voor die van vele duizenden anderen. Het wordt nu toch wel eens tijd.
Dit artikel werd eerder in andere vorm gepubliceerd in 'Het Financieele Dagblad', 26 oktober 2002


