Ingeklemd tussen globalisering en groeiend conservatisme
De laatste tien jaar is er een groeiende interesse ontstaan in hedendaagse kunst uit het Midden-Oosten en de Arabische wereld. Dit is mede te danken aan het ontstaan van een aantal invloedrijke initiatieven, waarvan The Townhouse Gallery in Caïro, Askhkal Alwan - De Libanese Association for Plastic Arts in Beiroet, Al-Ma’mal in Oost-Jeruzalem, The Khalil Sakakini Cultural Centre in Ramallah, de Qattan Foundation in Ramallah, Darat al Funun in Amman de voornaamste voorbeelden zijn.
Meer recent heeft een jongere generatie kunstenaars en cultureel werkers onafhankelijke collectieven, galeries en ruimtes voor kunst gecreëerd met een programmering die zich afwisselend richt op internationale kunstontwikkelingen en het bedienen van het plaatselijke publiek. Voorbeelden zijn de Alexandria Contemporary Art Forum in Alexandrië, het Contemporary Image Collective in Caïro, Makan in Amman, en The Palestinian Association of Comtemporary Art in Ramallah, nu onderdeel van de International Academy of Art. Onafhankelijke muzieklabels zijn als paddenstoelen uit de grond geschoten. Velen richten zich op experimentele muziek of improvisatie, getuige Al Maslakh van de Libanese striptekenaar en trompettist Mazen Kerbaj, Those Kids Must Choke van de punkrocker Charbel Haber uit Beiroet en 100 copies van de Egyptische Mahmoud Refat. Ook zijn er veel Palestijnse rappers actief. De kers op de taart van hedendaagse kunst is het Home Works Forum, georganiseerd door Ashkal Alwan. Dit is een interdisciplinaire manifestatie met lezingen, panel discussies, tentoonstellingen, film- en videovoorstellingen en publicaties die om de achttien maanden georganiseerd wordt, als de politieke situatie dat toestaat. Caïro beroemt zich op het Film Festival and Photo Caïro, met de nadruk op fotografie en visuele cultuur en beleeft zijn vierde editie in december 2008. De hachelijke politieke situatie in de Palestijnse gebieden maakt het moeilijk om daar grootschalige projecten te organiseren, maar toch zijn initiatieven zoals de eerder genoemde Academy of Art en de Riwaq Biennial for Art and Design van groot belang doordat ze een podium voor artistiek discours, kunstpraktijk en uitwisseling bieden. De Golfstaten flirten ook met de hedendaagse kunst. Het plan van Abu Dhabi om dependances van het Louvre en Guggenheim op te zetten wordt vaak met afschuw gezien als de uitverkoop van het artistieke erfgoed. Met de organisatie van de Dubai Art Fair wordt kunst vooral ingezet om toerisme te bevorderen. De herstructurering en re-branding van de twintig jaar oude stoffige Sharjah Biennial door de visionaire Sheikha Hoor Al Kasmi en de nieuwe artistieke directeur Jack Persekian, heeft het conservatieve Sharjah op de internationale biënnale kaart gezet.
Lost in translation Vraag iemand die beroepsmatig met kunst bezig is naar hedendaagse kunst uit de regio en de vraag zal beantwoord worden met in het slechtste geval een schouderophalen en in het gunstigste geval een verwijzing naar islamitische kunst of kunstenaars zoals Shirin Neshat. Het stereotype beeld van ‘de Oriënt’ is hardnekkig en de toename van xenofobie en vooral islamofobie in de Europese hoofdsteden versterkt dit jammer genoeg alleen maar. En toch is het ook de taak van curatoren, critici, kunstenaars en andere kunstbeoefenaars om deze diepgewortelde ideeën weg te nemen. In 2008, met een geglobaliseerde kunstmarkt en kunstenaars die van de ene naar de andere biënnale hoppen, waar ‘puurheid’ en ‘authenticiteit’ archaïsche concepten zijn binnen het postmoderne debat, vraagt men zich af waarom het kunstenaars uit het Midden-Oosten zijn en niet hun Europese vakgenoten die het juist het zwaarst te verduren hebben als het gaat om authenticiteit. Maar in een interview in In the Arab World…Now zegt Catherine David: “Ongetwijfeld beïnvloedt de globalisering onderdelen van de kunstwereld in gunstige zin omdat kunstenaars zich beter kunnen profileren in hun eigen gemeenschap vanwege hun internationale activiteiten. Maar het heeft ook een negatief effect op de kunstwereld want het bevoordeelt systematisch bepaalde uitingsvormen die onmiddellijk opgenomen kunnen worden door de internationale kunstmarkt, ten nadele van de meer complexe en individuele uitdrukkingen van oorspronkelijke culturen en gemeenschappen, die als het ware ‘lost in translation’ teloorgaan.” Het is een treffende opmerking van David, die met haar ‘Contemporary Arab Representations’ project (1998-2006), dat kunstenaars uit Beiroet, Caïro, Iran en Irak onder de aandacht bracht, ironisch genoeg een groot aandeel had in het laten voortduren van hetgeen zij bekritiseert. Laura Srouji, directeur van Amman’s Darat al Funun, klaagt dat het enige dat ze tegenwoordig te zien krijgt videokunst is, zonder veel aandacht voor andere media. Op dezelfde wijze heeft de Palestijnse curator Salwa Mikdadi ervoor gewaarschuwd dat het risico van ‘videoart only’ op de internationale kunstmarkt en biënnales een devaluatie van andere traditioneel rijke disciplines kan zijn, met inbegrip van de niet-beeldende disciplines zoals poëzie, theater en literatuur. Netelig als deze kwesties zijn, de vragen over identiteit en positionering worden voorturend gesteld.
Kunst ingebed in festivalsHet is dan ook geen wonder dat kunstenaars uit de regio, zoals de in Beiroet gevestigde kunstjournalist Kaelen Wilson-Goldie betoogt in In the Arab World…Now, sterk gericht zijn geweest op het “zich bezig houden met geschiedenis en herinnering aan de ene kant, en aan de andere kant het reactiveren van het stedelijke en het kosmopolitische.” Neem Libanon, waar nauwelijks financiering voor kunst bestaat door lokale fondsen, behalve via particuliere sponsoring en internationale donoren. Het eerste Libanese paviljoen op de Biënnale van Venetië in 2007 werd opgezet met een budget van 100.000,- dollar, allemaal particulier Libanees en Italiaans geld. Vanwege een politieke crisis die anderhalf jaar geduurd heeft, kent Libanon over het algemeen geen functionerende instituten. Dit vindt men in zekere mate terug binnen de kunstwereld, waar de hoofdstad Beiroet ofschoon een kunstencentrum voor de regio en daarbuiten nog steeds geen platform voor hedendaagse kunst heeft en waar kunstprojecten doorgaans ingebed worden in festivals.
Niet vertelde geschiedenisWaar de overheid er niet in slaagt om haar verantwoordelijkheid te nemen met betrekking tot de geschiedenis, kan kunst een rol spelen. Bijna twintig jaar na de Ta’if Akkoorden, waarmee in Libanon de burgeroorlog in 1990 ten einde kwam, heeft Libanon nog steeds geen officiële geschiedenis. Veel Libanese kunstenaars zoals Akram Zaatari, Tony Chakar, Lamia Joreige, Walid Raad, Khalil Joreige & Joanna Hadjithomas, houden zich al meer dan tien jaar bezig met de spookbeelden van de burgeroorlog en illustreren hiermee een halsstarrige koppigheid om het persoonlijk en collectieve geheugen bloot te leggen. Zij vertellen verhalen die hun grondslag vinden in het puin van vernielde gebouwen. In hun werk komt een behoedzame en onderzoekende relatie ten opzichte van het gebruikte medium tot uiting. Een jongere generatie kunstenaars, zoals visueel kunstenaar Mounira el Solh, fotografe Randa Mirza, performer Ali Cherry en audiovisueel kunstenaar Raed Yassin experimenteren met verschillende formele en esthetische talen om hun ideeën over politiek en identiteit tot uitdrukking te brengen. Grafische vormgeving is een van de populairste studiekeuzes onder Libanese jongeren. Vooral de American University of Beirut (AUB) heeft een uitstekende afdeling vormgeving. In feite is het AUB-docent Zeina Maasri die in de recente tentoonstelling van haar werk Signs of Conflict: Political Posters of Lebanon’s Civil War, niet alleen een visuele archeologische zoektocht naar een somber cultureel erfgoed maakt, maar ook de niet vertelde geschiedenis van Libanon open en kritisch reconstrueert.
Verheerlijking van farao’sTerwijl men in Libanon lijdt onder de-institutionalisering, kan men stellen dat de Egyptenaren lijden onder over-institutionalisering. Vanwege de gematigde dictatuur van de huidige president Hosni Mubarak, maar ook die van voorganger Nasser, worden de instituten van Egypte geteisterd door bureaucratie, inefficiëntie, vriendjespolitiek, overbezetting en corruptie. Dit geldt dus ook voor de door de staat gesubsidieerde kunstinstellingen zoals de ouderwetse kunstacademies, gericht op beeldhouw- en schilderkunst, de vervallen musea en ruimtes voor eigentijdse kunst. In tegenstelling tot Libanon, subsidieert de Egyptische overheid wel; zo investeert men in paviljoens op de Biënnale in Venetië. Maatschappijkritiek wordt daarbij echter niet getolereerd. Bovendien bestaat de tendens om het grote Egypte van de farao’s en de oude beschaving te verheerlijken, terwijl elke verwijzing naar het af brokkelende heden taboe is. Egypte zit ingeklemd tussen een globaliserende wereldeconomie en een groeiend islamitisch conservatisme. Het gevolg hiervan is, aldus een analyse van het Contemporary Image Collective (CIC) in Caïro, dat de kunstproductie officieel wordt gecontroleerd via censuurwetten en onofficieel door conservatieve krachten die de publieke opinie sturen en zelfcensuur aanmoedigen. Dit heeft weer tot gevolg dat geen van de staatskunstacademies fotografie, of videokunst opnemen in hun curriculum, laat staan kunstkritiek.
Humor en absurdismeOnafhankelijke non-profit organisaties, zoals The Townhouse Gallery en CIC in Cairo, de Alexandria Contemporary Art Forum, proberen deze leemte te vullen en bieden workshops, lezingen, informeel onderwijs en een scala aan tentoonstellingen, onder meer op het gebied van fotografie en videokunst. In het onafhankelijke deel van de kunstwereld bestaat de wens om een geëngageerde artistieke en kritische eigentijdse kunstbeoefening te stimuleren. Natuurlijk is hier geen sprake van overheidssteun. Deze organisaties moeten vechten voor hun bestaan en zijn totaal afhankelijk van internationale financiering en particuliere sponsoring. Bovendien worden de evenementen van de onafhankelijke kunstwereld structureel geboycot en gemeden door kunstdocenten van de universiteiten, met alle gevolgen van dien. Dit lijkt onvoorstelbaar vanuit Europees perspectief, maar is trieste realiteit. Dat neemt niet weg dat de onafhankelijke kunstwereld kunstenaars heeft voortgebracht die ook in het internationale circuit, goed doen, zoals de fotografen Lara Baladi, Rana el Nemr en Maha Mamoun; visueel kunstenaars Wael Shawky, Tarek Zaki, Sherif el Azma, Amal Kenawy, Hala Elkoussy en audiovisueel kunstenaar Hassan Khan. Deze generatie benadrukt de sterke verbondenheid met hun stedelijke omgeving en het identiteitsvraagstuk, hetzij nationaal, religieus, of Arabisch. Humor, het gebruiken van pop en straatcultuur, zoals in het werk van de jonge kunstenaar Ayman Ramadan, en absurdisme, bijvoorbeeld in werk van Basim Magdy, zijn belangrijke kenmerken.
MobiliteitsprobleemInterregionale mobiliteit, of eigenlijk het gebrek daar aan, is een probleem voor de culturele sector in het Midden-Oosten. Voor Europeanen is het niet moeilijk om vanuit Caïro naar Beiroet of Dubai te reizen. Onze Arabische collega’s kampen met ellenlange visumprocedures en krijgen soms nul op het rekest. Dit is waarschijnlijk een van de redenen dat er weinig interregionale samenwerking is. De inperking van mobiliteit is natuurlijk nog erger voor de Palestijnen. Zolang er geen sprake is van een Palestijnse staat, met ngo's die zorg dragen voor de sociale infrastructuur, is het vooral te danken aan de inspanningen van plaatselijke Palestijnen, maar ook Palestijnen in de diaspora dat er een kleine, maar levendige kunstwereld bestaat. Conservatoren zoals onder meer Adila laidi (Bir Zeit University), Reem Fadda (International Academy of Art), Jack Persekian (Al- Ma’amal), maar ook de winnaar van de Gouden Leeuw van de Biënnale in Venetië, Emily Jacir, spelen daar een cruciale rol in. Dankzij de democratisering van video en het betrekkelijke gemak van de distributie hebben videokunst en de korte film veel aan populariteit gewonnen onder jongere kunstenaars. Idioms Films van Muhannad Al-Yacubi en het Palestijnse Filmmakerscollectief van Rowan al Faqih zijn voorbeelden hiervan, zoals ook het werk van een voornamelijk vrouwelijke generatie filmmakers: Enas Muthaffar, Nahed Awwad, en Najwa Najjar. Visueel kunstenaars Jumana Abboud, Rana Bishara mengen het performatieve in hun video of installaties, terwijl in de fotografie Rula Halawani en Ahlam Shibli internationale faam hebben verworven, evenals conceptueel kunstenaar Khalil Rabah. In de Palestiijnse gebieden bestaat een traditie waarop de schilders Sliman Mansour, Kamal Boullata en visueel kunstenaar Vera Tamari een bijzonder sterke invloed hebben gehad. De belangrijkste thema’s binnen de huidige Palestijnse kunstpraktijk vinden hun oorsprong in de harde realiteit van het leven in bezet gebied: repressie, verbanning, herinnering, geweld, identiteit, verlies en thuis.
Ogen openenHoe het ook zij, veel van de hedendaagse kunstenaars in de Palestijnse gebieden - en misschien geldt dit wel voor een groot gedeelte van de Arabische wereld – houden zich bezig met het bieden van tegenwicht aan de manier waarop het Westen de verschillende soorten realiteit verbeeldt. Of dat nu de variatie op het thema exotisch oriëntalisme is dat men aantreft in westerse literatuur en geschiedenis, of de essentialistische ‘Arabische’ clichés van chaos, geweld en criminaliteit zoals vertoond in televisiejournaals en de commerciële film. Het is de hoogste tijd dat wij, als westers publiek, niet langer kijken naar het algemene beeld, maar onze ogen openen voor die andere beelden en voorstellingen.