SICA, Trans Artists and MEDIA Desk Netherlands have merged into the organisation for international cultural cooperation. Read more

Close

Een internationale vrijhaven

Dit artikel is gepubliceerd in SICAmag editie 16, 2002.

Concertzaal, opdrachtgever, laboratorium, kunstpromotor, cursusinstituut, tentoonstellingsruimte, ontmoetingsplaats, bemiddelaar en aanzwengelaar van debatten: het Parijse Institut Néerlandais heeft vele gezichten en er vinden tal van activiteiten plaats. Het Instituut wil zich in de komende jaren vooral als kunstcentrum profileren .

Van 7 november-15 december is de tentoonstelling van fotograaf Robert van der Hilst te zien in het Institut Néerlandais in Parijs. In opdracht van het instituut fotografeerde de in Parijs wonende Nederlandse fotograaf Cubanen in hun woonkamers, zowel in hun thuisland Cuba als in Miami. Met dit actieve opdrachtenbeleid gaat het Institut Néerlandais verder dan het presenteren van kunst alleen: het staat met één voet in het scheppingsproces. Directeur Henk Pröpper wil de tentoonstellingsruimte gebruiken als laboratorium voor kunstenaars. Zo zal de Franse in Nederland woonachtige schilder Franck Bragigand volgend jaar krijgen om de ruimtes te benutten voor een tentoonstelling plus performances.


In Nederland worstelt het Institut Néerlandais misschien met een achterhaald imago -als zou het instituut niet vernieuwend zijn, slechts worden bezocht door een handvol Nederland aanbiddende Parijzenaars en vooral veel geld kosten- in Parijs echter wordt het instituut tot één van de meer actieve en dynamische cultureel centra gerekend. Wat betreft activiteit en naamsbekendheid volgt het 't Goethe Institut en de British Council, aldus Claire Lyse Chambron van de internationale afdeling van het Franse ministerie voor Cultuur. Het Franse ministerie heeft het instituut in de afgelopen jaren vier keer ondersteund met geld en ook geholpen met de aansluiting bij de Franse kunstwereld. Een voorbeeld hiervan is de hulp om Nederlandse grafische vormgeving bekend te maken.


In Nederland worden grafisch ontwerpers opgeleid hun stempel op een ontwerp te drukken. De overheid en het bedrijfsleven stimuleren de creativiteit door het geven van vrije opdrachten. In Frankrijk wordt minder vrij ontworpen, maar er bestaat wel interesse voor Nederlands design. Dat bleek uit de reacties op het idee van het instituut om de tentoonstelling naar Parijs te halen. Deze tentoonstelling was in 1999 in het Stedelijk Museum in Amsterdam te zien geweest, maar had daar geen bijzonder effect gehad. In Frankrijk had de tentoonstelling, omgedoopt tot , dankzij de medewerking van het Franse ministerie een groot bereik: Het ministerie verzorgde een mailing aan alle grafisch vormgevers in Frankrijk en organiseerde in samenwerking met het instituut een debat. Daarna was de tentoonstelling ook te zien in Mulhouse, Valence en Canada. Sindsdien presenteert het instituut jaarlijks de tentoonstelling . Het Franse ministerie is zelfs van plan een dergelijke prijs ook in Frankrijk te gaan toekennen.


Met de komst van directeur Henk Pröpper in 1998 is er volgens vertegenwoordigers uit de Franse kunstwereld veel veranderd. Het instituut heeft een grotere diversiteit aan activiteiten ontplooid en heeft zich op een groter publiek gericht. Intern is de professionaliteit vergroot en zijn de contacten met de cultuurafdeling van de ambassade hechter geworden.
De programmering van het instituut komt tot stand door kennis van de ontwikkelingen in Nederland te koppelen aan belangstelling die in Frankrijk leeft. Goede contacten met de Nederlandse fondsen en instellingen zijn essentieel voor een professionele inbedding van het programma. Voor bijvoorbeeld in Parijs onbekende beeldend kunstenaars als Auke de Vries of Ger Lataster is het moeilijk aandacht te trekken, omdat de concurrentie in Parijs groot is. Het instituut kan daarbij ondersteuning bieden.

Voor het onderhouden van goede persrelaties is soms te weinig tijd vanwege het volle programma. Het instituut probeert voor elk evenement zo gericht mogelijk (professioneel) publiek te trekken. Het jaarlijkse Festival Oude Muziek is bijvoorbeeld een van de belangrijkste ontmoetingsplaatsen voor dit genre in Parijs, waar ook de Nederlandse muzikanten de kans hebben elkaar beter te leren kennen.

Het instituut werkt nauw samen met de 'Fondation Custodia' -beheerder van onder meer de collectie 17de-eeuwse prenten van Frits Lugt- En waar Custodia gespecialiseerd is in oude kunst, presenteert het Institut de contemporaine. Dit levert een consistent en complementair beeld op van een land (Nederland) dat internationaal altijd een belangrijke rol heeft gespeeld in de beeldende kunst. Deze tentoonstellingen verruimen het publieksbereik in het Institut.


Buitenshuis probeert het Institut Néerlandais zoveel mogelijk samen te werken met Franse partners. Soms gaat de bemiddeling niet verder dan het informeren van Nederlandse en Franse instellingen, soms is het instituut actief betrokken in een partnerschap. Het instituut streeft naar actieve samenwerking met een Franse instelling. Die neemt dan het evenement op in zijn programma, zoals de (Nacht van de korte film - red.) onderdeel is van het programma van het .
Van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangt het instituut jaarlijks ongeveer 1,1 miljoen euro, aangevuld met incidentele steun van OCenW. Sommige evenementen worden gesponsord. Dat aantal zou misschien groter kunnen zijn als er meer op de lange termijn zou worden geprogrammeerd.

Bij de meeste activiteiten staat de dialoog met andere culturen centraal. De maatschappelijke debatten bijvoorbeeld worden georganiseerd in samenwerking met Franse of andere internationale partners. Zij zijn bedoeld om elkaars standpunten te leren kennen, te nuanceren en de praktijk te beïnvloeden. Het instituut is tevens de enige plek buiten de universiteit waar Fransen Nederlands kunnen leren en jaarlijks maken meer dan 500 mensen hiervan gebruik.
Het instituut hanteert een breder cultuurbegrip dan het door OCenW en Buitenlandse Zaken geformuleerde internationaal cultuurbeleid. De maatschappelijke debatten en het taalonderwijs worden door het publiek gewaardeerd, maar omdat ze strikt genomen niet binnen het onderwerp van het Nederlandse internationaal cultuurbeleid passen, zijn deze onderdelen moeilijker te financieren.

Als het aan Henk Pröpper ligt, wordt het Institut Néerlandais in de toekomst nog meer een internationale vrijhaven. Een kunstcentrum waarbij het accent minder op de bilaterale relatie tussen Nederland en Frankrijk ligt, maar meer op internationale uitwisseling en samenwerking.

Het internationaal cultuurbeleid van het Institut Néerlandais:
Lange termijn plannen met een duidelijk doel voor ogen
Concentratie op fotografie, design, oude muziek, architectuur, mode
Gezamenlijke programmering van oude en contemporaine beeldende kunst
(onderlinge) Informatie-uitwisseling tussen Nederland en de prioriteitslanden
Uitbouwen adviesfunctie, teneinde een betere aansluiting met zowel het Franse als het Nederlandse veld te realiseren
Partnerschappen met toonaangevende (buitenlandse) instellingen aangaan en over bilaterale grenzen heenkijken.

Stefanie Michelis is Kunst- en Cultuurwetenschapper en voert voor het http://www.institutneerlandais.com een onderzoek uit naar de aansluiting van het instituut met de Franse kunstwereld.