SICA, Trans Artists and MEDIA Desk Netherlands have merged into the organisation for international cultural cooperation. Read more

Close

De markt van wereldmuziek drijft op idealisme

Dit artikel is gepubliceerd in SICAmag editie 24, 2004.
Wereldmuziek bestaat niet. Althans, de term zelf heeft geen enkele inhoudelijke betekenis. Geen muzikant die zichzelf zal tooien met een ‘wereldmuziek-pluim’. Toch weet iedereen wat er bedoeld wordt: Alle muziek die niet tot de westerse pop, jazz, klassieke of volksmuziek traditie behoort. De term is zeventien jaar geleden uit marketingoverwegingen verzonnen, terwijl de muziekstijlen die er onder vallen natuurlijk al veel langer bestaan. Hoe heeft de thans populaire wereldmuziek zich ontwikkeld? En in hoeverre profiteren de niet- westerse artiesten van dat succes?

In de jaren zeventig brak de Jamaicaanse reggae door naar het Westerse poppubliek. Genres als salsa, tango, flamenco, krontjong en klezmer hadden al jarenlang hun bescheiden niche binnen de het muziekaanbod. Arabische, Afrikaanse en Oost-Europese muziekstijlen speelden in commercieel opzicht geen rol en verbanden tussen de verschillende niet-westerse stijlen werden amper gelegd. Dat laatste veranderde echter in de jaren tachtig. De Londense platenlabels Globestyle, Hannibal en World Circuit besloten de handen ineen te slaan om een eigen ‘vakje’ in de platenwinkels te creëren. Ze spraken af om op de hoezen van al hun platen te zetten: ‘File under World Music’. De muziek zelf die er mee bedoeld werd betrof in de vroege jaren tachtig vooral Afrikaanse popmuziek. De verzamelalbums Sound d’Afrique uit 1982 op het Britse Mango-label richtten de ogen van de popcritici op het zwarte continent. Het publiek volgde snel. King Sunny Adé, Franco, Youssou N’Dour en Salif Keita braken halverwege allemaal door in West-Europa en ook in ons land mede dankzij concertseries als Afrika Roots die vanaf 1983 in de Melkweg plaats vonden en later African Feeling in Paradiso. Eind jaren tachtig kwam daar via Parijs de Noord-Afrikaanse raï-muziek bij, met sterren als Khaled en Cheb Mami. Ook ontdekte het poppubliek toen de muziek van de Balkan, zoals de Bulgaarse vrouwenkoren en ‘bruiloftklarinettist’ Ivo Papasov.
Westerse producers De eerste wereldmuziek-artiesten die in het westen doorbraken, waren al sterren in eigen land. Toen echter bleek dat er op de westerse popmarkt geld te verdienen viel, gingen de platenmaatschappijen in Europa zich met de opnamen van de muziek bemoeien. Hèt voorbeeld daarvan is het miljoenensucces van de Buena Vista Social Club in 1997. De bejaarde Cubaanse musici die het album dragen stonden in eigen land al decennialang niet meer in de belangstelling. De Britse producer Nick Gold en de Amerikaanse popmuzikant Ry Cooder brachten de oude Cubaanse musici bij elkaar om een album te maken in de sfeer van de jaren veertig en vijftig, muziek die op Cuba zelf al lang uit de gratie was. Maar het gaf ook de hedendaagse Cubaanse muziek een wereldwijde impuls.
“Toch was het Buena Vista-project eigenlijk een incident. Een goed idee van een paar enthousiaste mensen.” zegt Wim Westerveld, programmeur van het Nijmeegse Festival Music Meeting en al sinds de vroege jaren tachtig agent voor tal van niet-Westerse artiesten. “Afrikaanse sterren als Youssou N’Dour, Salif Keita en Khaled gingen in gerenommeerde Europese en Amerikaanse studio’s opnemen, met een westerse popproducer. Opeens wilden de platenmaatschappijen daar geld in steken.” Dat beamen Liesbeth Puts van Music & Words en Albert Nijmolen van World Connection, twee Nederlandse platenmaatschappijen die zelf artiesten uit Azië, Afrika, Latijns Amerika en de Balkan uitbrengen. Music & Words liet de Tibetaanse groep Gang Chenpa in Nederland opnemen en World Connection stuurde de New Yorkse musicus Frank London als producer naar de Balkan voor een cd van de Macedonische zigeunerkoningin Esma Redzepova. De wereldmuziekalbums werden toegesneden op de smaak van de Europese en Amerikaanse muziekliefhebber. Wat overigens niet betekent dat ze daardoor ‘westerser’ klinken. Integendeel. Nijmolen: “Op de Balkan of in Afrika is bijna geen orkest meer te horen zonder synthesizer. Maar dat wil het publiek hier niet. En omgekeerd wordt een album van de Malinese zangeres Rokia Traoré hier bejubeld, maar koopt geen Malinees die plaat. Zij schudden hun billen weer liever op het geluid van vette synthesizers.’’
Dancebeats en grote-stads-problematiek Een factor die in de jaren negentig de wereldmuziek sterk beïnvloedde is de dance-cultuur. Bijna ieder genre is sindsdien wel gecombineerd met een beat waardoor het publiek verjongde. Bij acts als de Asian Dub Foundation uit Londen en het Parijse Orchestre National de Barbès is die verjonging ook gekomen doordat zij zingen over de grote-stads-problematiek, net als in hiphop. Daardoor verschuiven deze dansbare cross-overs vaak van het vakje ‘wereldmuziek’ naar de gewone ‘pop’. Iets dergelijks geldt voor Manu Chao, N’Dour en Khaled. Wereldmuziek-impresario Westerveld: “Toen Baaba Maal nog niet zo beroemd was, deed ik zijn Europese agentschap via een Mauritaanse manager. Eenmaal doorgebroken, kwam hij bij een groot kantoor in Londen terecht. Die deden in Nederland alleen zaken met Mojo en toen stond ik er naast. Het was pop geworden.”
De markt voor wereldmuziek groeit nog altijd, maar langzamer dan voorheen. “De belangstelling van het publiek blijft. Alleen is er de afgelopen tijd beduidend minder persaandacht.” aldus Liesbeth Puts van Music & Words. Toch is wereldmuziek een stabiele markt aan het worden. Stefan Koer van jazz- en wereldmuziekspeciaalzaak Tipitina in Haarlem: “Gespecialiseerde cd-zaken, waar fanatieke muziekliefhebbers komen, hebben minder te lijden onder de malaise in de cd-branche dan de grote ketens. Al is het wèl zo dat de aandacht van het publiek regelmatig verschuift. Mensen willen een paar plaatjes met Cubaanse muziek en dan wat Portugese fado-cd’s. Ze hoeven een artiest niet compleet te hebben, zoals een popliefhebber wel alles van Dylan of U2 wil hebben.” De trends zijn duidelijk te traceren, zegt Koer. Na de Afro-rage in de jaren tachtig zorgde de Buena Vista Social Club er eind jaren negentig voor dat alles uit Cuba opeens héél hip werd. Daarna kwam de tango door het ‘Maxima-effect’. En de laatste jaren is de fado uit Portugal populair”.
Meer idealisme dan zakelijkheid Over de vraag of een significant deel van de omzet uiteindelijk ergens in Afrika, Azië of Latijns Amerika terechtkomt, hoeft geen van de ondervraagden lang na te denken. Niet of nauwelijks, luidt het besliste antwoord van de deskundigen. De platenmaatschappijen zijn westers, de producers, de opname-studio’s. Dus wat over blijft zijn de royalties voor de artiesten. Steeds meer niet-westerse musici wonen in Europa of Amerika. Van hun bescheiden inkomen onderhouden zo ook nog vaak hele families ‘thuis’. Maar de royalties vormen slechts een fractie van de omzet.
Voor concerten geld hetzelfde, aldus Wim Westerveld. “Daar wordt nauwelijks nog winst op gemaakt. In het Nederlandse popcircuit is de wereldmuziek de laatste jaren minder in trek. Artiesten die nog wèl publiek trekken, zijn veel te duur geworden. Cheb Mami vraagt tegenwoordig twintigduizend euro. Dat wil niemand in Nederland betalen. Maar hij gaat niet met zijn prijs omlaag, want in de Verenigde Arabische Emiraten krijgt hij dat wel. Dus speelt hij daar.” De enigen die volgens Westerveld de gages van de ‘wereld-sterren’ nog kunnen betalen zijn de grote jazzfestivals in Frankrijk, Duitsland en Zwitserland. “Daar zijn ze royaler met subsidies en sponsorgelden.”
Uitzondering is de Senegalese ster Youssou N’Dour. Hij woont nog altijd in Dakar waar hij een eigen studio heeft die zich met de beste in Europa en Amerika kan meten. Behalve dat hij er zijn eigen platen opneemt, stelt hij zijn studio voor weinig geld beschikbaar aan jonge Afrikaans talent. Daarmee heeft hij de economie in zijn land een impuls gegeven. Ook bij de mensen die in Nederland met wereldmuziek actief zijn, wordt de zakelijkheid geschraagd door een hoop idealisme. Taalbarrières, visaproblemen, verschil in mentaliteit en botsende gewoonten, maken het werk ingewikkeld en tijdrovend. Westerveld: “Het is vaak zoveel omslachtiger en moeizamer dan werken met Westerse artiesten, dat je er wel echt in moet geloven om het vol te houden.”

http://www.musicwords.nl/
http://www.worldconnection.nl/
http://www.worldmusiccentral.org/
http://www.afromix.org

Peter Bruyn is muziekjournalist en schrijft voor verschillende dagbladen en tijdschriften