De markt van wereldmuziek drijft op idealisme
In de jaren zeventig brak de Jamaicaanse reggae door naar het Westerse poppubliek. Genres als salsa, tango, flamenco, krontjong en klezmer hadden al jarenlang hun bescheiden niche binnen de het muziekaanbod. Arabische, Afrikaanse en Oost-Europese muziekstijlen speelden in commercieel opzicht geen rol en verbanden tussen de verschillende niet-westerse stijlen werden amper gelegd. Dat laatste veranderde echter in de jaren tachtig. De Londense platenlabels Globestyle, Hannibal en World Circuit besloten de handen ineen te slaan om een eigen ‘vakje’ in de platenwinkels te creëren. Ze spraken af om op de hoezen van al hun platen te zetten: ‘File under World Music’. De muziek zelf die er mee bedoeld werd betrof in de vroege jaren tachtig vooral Afrikaanse popmuziek. De verzamelalbums Sound d’Afrique uit 1982 op het Britse Mango-label richtten de ogen van de popcritici op het zwarte continent. Het publiek volgde snel. King Sunny Adé, Franco, Youssou N’Dour en Salif Keita braken halverwege allemaal door in West-Europa en ook in ons land mede dankzij concertseries als Afrika Roots die vanaf 1983 in de Melkweg plaats vonden en later African Feeling in Paradiso. Eind jaren tachtig kwam daar via Parijs de Noord-Afrikaanse raï-muziek bij, met sterren als Khaled en Cheb Mami. Ook ontdekte het poppubliek toen de muziek van de Balkan, zoals de Bulgaarse vrouwenkoren en ‘bruiloftklarinettist’ Ivo Papasov.
“Toch was het Buena Vista-project eigenlijk een incident. Een goed idee van een paar enthousiaste mensen.” zegt Wim Westerveld, programmeur van het Nijmeegse Festival Music Meeting en al sinds de vroege jaren tachtig agent voor tal van niet-Westerse artiesten. “Afrikaanse sterren als Youssou N’Dour, Salif Keita en Khaled gingen in gerenommeerde Europese en Amerikaanse studio’s opnemen, met een westerse popproducer. Opeens wilden de platenmaatschappijen daar geld in steken.” Dat beamen Liesbeth Puts van Music & Words en Albert Nijmolen van World Connection, twee Nederlandse platenmaatschappijen die zelf artiesten uit Azië, Afrika, Latijns Amerika en de Balkan uitbrengen. Music & Words liet de Tibetaanse groep Gang Chenpa in Nederland opnemen en World Connection stuurde de New Yorkse musicus Frank London als producer naar de Balkan voor een cd van de Macedonische zigeunerkoningin Esma Redzepova. De wereldmuziekalbums werden toegesneden op de smaak van de Europese en Amerikaanse muziekliefhebber. Wat overigens niet betekent dat ze daardoor ‘westerser’ klinken. Integendeel. Nijmolen: “Op de Balkan of in Afrika is bijna geen orkest meer te horen zonder synthesizer. Maar dat wil het publiek hier niet. En omgekeerd wordt een album van de Malinese zangeres Rokia Traoré hier bejubeld, maar koopt geen Malinees die plaat. Zij schudden hun billen weer liever op het geluid van vette synthesizers.’’
De markt voor wereldmuziek groeit nog altijd, maar langzamer dan voorheen. “De belangstelling van het publiek blijft. Alleen is er de afgelopen tijd beduidend minder persaandacht.” aldus Liesbeth Puts van Music & Words. Toch is wereldmuziek een stabiele markt aan het worden. Stefan Koer van jazz- en wereldmuziekspeciaalzaak Tipitina in Haarlem: “Gespecialiseerde cd-zaken, waar fanatieke muziekliefhebbers komen, hebben minder te lijden onder de malaise in de cd-branche dan de grote ketens. Al is het wèl zo dat de aandacht van het publiek regelmatig verschuift. Mensen willen een paar plaatjes met Cubaanse muziek en dan wat Portugese fado-cd’s. Ze hoeven een artiest niet compleet te hebben, zoals een popliefhebber wel alles van Dylan of U2 wil hebben.” De trends zijn duidelijk te traceren, zegt Koer. Na de Afro-rage in de jaren tachtig zorgde de Buena Vista Social Club er eind jaren negentig voor dat alles uit Cuba opeens héél hip werd. Daarna kwam de tango door het ‘Maxima-effect’. En de laatste jaren is de fado uit Portugal populair”.
Voor concerten geld hetzelfde, aldus Wim Westerveld. “Daar wordt nauwelijks nog winst op gemaakt. In het Nederlandse popcircuit is de wereldmuziek de laatste jaren minder in trek. Artiesten die nog wèl publiek trekken, zijn veel te duur geworden. Cheb Mami vraagt tegenwoordig twintigduizend euro. Dat wil niemand in Nederland betalen. Maar hij gaat niet met zijn prijs omlaag, want in de Verenigde Arabische Emiraten krijgt hij dat wel. Dus speelt hij daar.” De enigen die volgens Westerveld de gages van de ‘wereld-sterren’ nog kunnen betalen zijn de grote jazzfestivals in Frankrijk, Duitsland en Zwitserland. “Daar zijn ze royaler met subsidies en sponsorgelden.”
Uitzondering is de Senegalese ster Youssou N’Dour. Hij woont nog altijd in Dakar waar hij een eigen studio heeft die zich met de beste in Europa en Amerika kan meten. Behalve dat hij er zijn eigen platen opneemt, stelt hij zijn studio voor weinig geld beschikbaar aan jonge Afrikaans talent. Daarmee heeft hij de economie in zijn land een impuls gegeven. Ook bij de mensen die in Nederland met wereldmuziek actief zijn, wordt de zakelijkheid geschraagd door een hoop idealisme. Taalbarrières, visaproblemen, verschil in mentaliteit en botsende gewoonten, maken het werk ingewikkeld en tijdrovend. Westerveld: “Het is vaak zoveel omslachtiger en moeizamer dan werken met Westerse artiesten, dat je er wel echt in moet geloven om het vol te houden.”
http://www.musicwords.nl/
http://www.worldconnection.nl/
http://www.worldmusiccentral.org/
http://www.afromix.org


