SICA, Trans Artists and MEDIA Desk Netherlands have merged into the organisation for international cultural cooperation. Read more

Close

Cultuur en economie: gouden bergen?

Dit artikel is gepubliceerd in SICAmag editie 32, 2006.
Ruim 200 jaar geleden werden in Nederland de fundamenten gelegd voor een moderne democratie - een rechtsstaat met ministers, een volksvertegenwoordiging, een ‘scheiding der machten’ en een Grondwet. In dit nieuwe staatsbestel kwam de relatie tussen de overheid en het culturele leven in een ander daglicht te staan. Vanaf nu werden kunst en cultuur door de overheid op grond van verlichte idealen ingezet om ‘het volk’ te ontwikkelen tot beschaafde burgers die actief aan de samenleving zouden kunnen deelnemen. Theaters moesten ‘leerscholen van het volk’ zijn en een eerste minister voor cultuur trad aan. Al gauw werden de eerste contouren van belangrijke nationale culturele instellingen zichtbaar: het Rijksmuseum Amsterdam, het Nationaal Archief, de Koninklijke Bibliotheek en ook een voorloper van de huidige Raad voor Cultuur, het Koninklijk Instituut

Binnen het zich sindsdien geleidelijk aan ontwikkelende ‘cultuurbeleid’ werden in politiek-bestuurlijke kringen al gauw twee stromingen zichtbaar. In de ene was men geneigd om de overheid ‘inhoudelijk’ een nogal ‘sturende’ rol te geven. Anderen vonden juist dat de overheid met betrekking tot de inhoud van kunst en cultuur op afstand moest blijven en dat zij zich moest beperken tot ‘voorwaardenscheppende’ activiteiten. Alleen op die manier zou het culturele leven zich ‘autonoom’ en ‘in vrijheid’ kunnen ontwikkelen. Deze opvatting leidde in 1862 tot het bekende adagium van Thorbecke: ‘de overheid is geen oordeelaar van wetenschap en kunst’. Ondanks dit verschil van inzicht waren alle grote politieke stromingen het tot aan de jaren zestig van de twintigste eeuw over één argument wel eens: kunst en cultuur dienden ter ontwikkeling en beschaving van de bevolking en was daarom nauw gelieerd aan onderwijsbeleid.
Net als rond 1800, toen internationale verlichte idealen in Nederland fundamentele veranderingen veroorzaakten, waren ook in het midden van de jaren zestig van de twintigste eeuw, mondiale ontwikkelingen van grote invloed. Niet alleen waar het ging om het algemene politieke en publieke klimaat, maar zeker ook op het terrein van het cultuurbeleid. Een jonge generatie klaagde de door hen als burgerlijk, kapitalistisch en elitair beoordeelde gevestigde orde aan. In plaats van ‘ontwikkeling en beschaving’ zou het cultuurbeleid nu juist maatschappelijke veranderingen en ‘vernieuwing’ moeten bewerkstelligen. Kunst moest mensen ‘bewust maken’ van onrechtvaardige maatschappelijke verhoudingen, of op zijn minst, grenzen verleggen en de vestiging van een op uiterst linkse idealen gebaseerde nieuwe samenleving bevorderen. Van Thorbeckiaanse afstandelijkheid kon daarbij geen sprake meer zijn, want bij de jonge revolutionairen was het geloof in de ‘maakbaarheid’ van de samenleving groot, en het sprak voor zich dat de overheid hierbij de regie moest voeren.
In de nota uit1976 van het Kabinet Den Uyl werd kunstbeleid onderdeel van een veel breder ‘welzijnsbeleid’. Het moest vooral ‘de maatschappelijke werking van kunst’ bevorderen. Uiteindelijk kwam er weinig van de voorstellen terecht. Kunstbeleid werd geen welzijnsbeleid en in het parlement, maar ook in kunstenaarskringen, groeide weerstand tegen ‘staatskunst’.


Rond 1980 was een meerderheid de discussie over hooggestemde idealen rond het kunst en cultuurbeleid moe. Het beleid moest inhoudelijk afstandelijker en meer voorwaardenscheppend zijn, bijdragen aan een ‘bloeiend artistiek en cultureel leven’ en voldoen aan de drieslag: ‘behoud en vernieuwing van culturele waarden, het toegankelijk maken daarvan en het bevorderen van cultuurdeelname door de bevolking’. Na het vele gediscussieer in de vorige decennia moest er nu maar eens praktisch gehandeld worden. Vraag was: hoe? Antwoord gaf het eerste Kabinet Lubbers dat in 1982 aantrad en dat zich tot doel stelde om het hoog gestegen financieringstekort onverwijld terug te dringen. Economische principes als marktwerking en efficiency moesten daartoe, ook in het cultuurbeleid, worden bevorderd. Een periode van ‘nieuwe zakelijkheid’ ving aan. Van sterke invloed was daarbij, dat de in de jaren zeventig gegroeide bestuurlijke drang tot het ontwikkelen van nieuw beleid, met de daarbij behorende wet- en regelgeving, geheel overeind bleef. Minister Brinkman werd voor de taak gesteld om voortvarend beleid te maken waarbij ‘harde, economische’ noties als zakelijkheid en efficiency richtinggevend moesten zijn.
Dat het hier niet om een kortdurende trendverandering ging, blijkt uit het feit dat alle bewindslieden sindsdien deze zakelijke benadering hebben gehandhaafd en zelfs hebben versterkt. Daarbij was het opvallend dat, hoewel uit linkse hoek aanvankelijk felle kritiek op Brinkmans ‘harde’ beleidsaccenten was geuit, ook sociaaldemocratische bewindslieden hier probleemloos bij aansloten. Staatssecretaris Van der Ploeg (PvdA en econoom) liet ‘economie en cultuur’ graag versmelten: ‘Veel mensen denken dat economie over geld gaat, maar in feite gaat het over waarde. Net als cultuur’. Bijzondere belangstelling kreeg het onderwerp van de laatste staatssecretaris, de progressief-liberale Medy van der Laan, die verklaarde: ‘Ik wil de wisselwerking tussen cultuur en economie versterken. Dat is mijn droom’. Speciale aandacht zou daarbij moeten worden gericht op de creatieve industrie en op mode, design en vormgeving. Waar ze in dit verband aan dacht werd iets verduidelijkt toen ze opmerkte: ‘De Senseo was nooit een succes geweest zonder een fantastisch ontwerper’. Gevolg was het project ‘Cultuur en Economie’ waarin de ministeries van OCW en EZ gingen samenwerken.


Praktisch had de nieuw-zakelijke aanpak uiteenlopende resultaten. In de eerste plaats waren er ingrijpende gevolgen voor de gesubsidieerde culturele instellingen. Vooral op het terrein van de podiumkunsten hadden veel instellingen zich in voorgaande jaren zo sterk op hun ‘artistieke autonomie’ geconcentreerd, dat de aandacht voor hun maatschappelijke functioneren en het publieksbereik uit beeld was geraakt. Voorts was de bedrijfsvoering bij veel instellingen weinig professioneel, en regelmatig kwam het voor dat ze ‘in het tekort’ werden gesubsidieerd. Met een ingrijpende reorganisatie van het podiumkunstenbestel werd deze gang van zaken doorbroken. Instellingen werden vanaf nu op basis van helder omschreven werkplannen beoordeeld en gefinancierd, en de daarop afgestemde budgetfinanciering liet geen overschrijdingen toe. Voortaan werden theatergezelschappen en orkesten beschouwd als ‘cultuurproducerende instellingen’ met een maatschappelijke functie en een ‘op output meetbare marktstrategie ten behoeve van een groter publieksbereik’. Ingrijpend was eveneens dat veel culturele instellingen, waaronder veel musea, werden ‘verzelfstandigd’. Medewerkers waren nu geen ambtenaar meer en directeuren moesten in het vervolg, in plaats van aan het ministerie, verantwoording aan hun stichtingsbestuur afleggen, en worden sindsdien nadrukkelijk ook op hun ‘culturele ondernemerschap’ beoordeeld.
Een andere omgeving waar de aandacht voor ‘cultuur en economie’ zich sinds de jaren tachtig opvallend profileerde was in en rond grote steden. Aanvankelijk ging hier de aandacht vooral uit naar de economische waarde van kunst en cultuur in het licht van het toerisme, maar al gauw verbreedde de belangstelling zich ook naar de ‘creatieve industrie’ – die niet alleen een ‘waarde in zich’ vertegenwoordigt, maar ook het imago van een stad positief kan beïnvloeden. Het hierop afgestemde beleid heeft, naast het ‘gewone’ cultuurbeleid, inmiddels tot een welhaast nieuwe internationaal georiënteerde tak van wetenschap geleid.
Ook op het terrein van het internationale cultuurbeleid werd al vroeg in de jaren tachtig een relatie met economische aspecten gelegd. Internationale culturele manifestaties zouden volgens Brinkman gericht moeten bijdragen aan verbetering van exportmogelijkheden van het Nederlandse bedrijfsleven. De opvatting leidde tot de verontwaardigde beschuldiging dat hij cultuur tot ‘glijmiddel voor de economie’ wilde maken, maar desondanks bleven economische overwegingen in het internationale cultuurbeleid een rol spelen. Binnen de diverse accenten van het medio jaren negentig herijkte internationale cultuurbeleid kregen ze bijzondere aandacht in het licht van ‘marktverruiming voor Nederlandse cultuuruitingen’ en ‘cultureel ondernemerschap’.
Vanuit haar bijzondere belangstelling voor het onderwerp heeft Van der Laan, samen met staatssecretaris Nicolai van EZ/Europese Zaken, onlangs voorgesteld de aandacht voor cultuur en economie binnen het internationale cultuurbeleid verder te verstevigen. Binnen dit beleid zou ‘de economische potentie van creativiteit’ beter moeten worden benut. Als voorbeelden van aandachtsgebieden worden design en film genoemd. Samenwerking tussen culturele en handelsattachés zou actief moeten worden gestimuleerd.
De door Van der Laan op ‘cultuur en economie’ gevestigde aandacht leidde in de praktijk tot het project Cultuur en Economie en tot de beleidsbrief ←I→Ons creatieve vermogen←P→ die in oktober 2005 door de ministeries van OCW en EZ werd gepubliceerd. In deze brief wordt een experimenteel en tijdelijk stimuleringsprogramma voor de creatieve industrie uiteen gezet. Het programma omvat een ‘Creative Challenge Call’ (waarbij creatieve bedrijven projectvoorstellen kunnen indienen), financieringsmogelijkheden voor ‘creatieve starters’, stimulering van het cultuurmecenaat, verbetering van het auteursrecht, versterking van de creatieve export en verankering van het vak ‘ondernemerschap’ binnen het kunstvakonderwijs. De Tweede Kamer bleek bij de behandeling van de voorstellen niet erg enthousiast, al was er over het onderwerp zelf geen twijfel: ‘men heeft goud in handen’ en daarom hadden de voorstellen en het beschikbare budget van € 15 miljoen volgens de Kamer wel wat ambitieuzer mogen zijn.


Hoe kan de huidige aandacht voor ‘cultuur en economie’ worden gewogen? Dat valt van geval tot geval te bezien. Zo kan er in principe natuurlijk niets tegen een heldere zakelijke relatie tussen de subsidiënt en gesubsidieerde zijn. En ook is het, gezien vanuit het openbaar bestuur, niet meer dan logisch dat gesubsidieerde instellingen op hun prestaties en hun maatschappelijk functioneren - hoe verschillend dat ook kan worden gedefinieerd - worden beoordeeld. Kritiek wordt hier ten onrechte gemakkelijk verward met klachten over het subsidiesysteem en daarmee samenhangende administratieve verplichtingen en artistieke beoordelingen. Ook kan de aandacht die vanuit primair economische motieven wordt gevestigd op de waarde van cultuur voor citymarketing en op het belang van ‘creatieve industrie’ uiteraard positief worden gewaardeerd. Het maakt ons bewust van nieuwe noties en horizonten die voor het culturele leven zeker van waarde zijn. Voorts is er voor de stimulering van creatieve industrie in nationaal en internationaal verband veel te zeggen. Terecht wordt hier bevorderd dat Nederlandse culturele kwaliteiten onder de aandacht van een mondiaal publiek komen. Veel culturele producten en verworvenheden zijn zondermeer uitermate geschikt voor zowel ‘creatieve export’, als om bij te dragen aan een effectieve ‘Hollandmarketing’. Tenslotte kan er natuurlijk evenmin bezwaar worden gemaakt tegen het feit dat min of meer in het verlengde hiervan ook aandacht aan zaken als auteursrecht, bevordering van het mecenaat en ondernemerschap door kunstenaars wordt besteed.


Ondanks deze positieve aspecten zijn er bij de bijzondere aandacht voor ‘cultuur en economie’ ook kritische kanttekeningen te plaatsen. In de eerste plaats moet de vraag worden gesteld of het bijzondere accent op economische overwegingen het zicht op de andere in het Nederlandse cultuurbeleid verankerde waarden niet teveel naar de achtergrond dringt. De econoom (!) Arjo Klamer wijst er in dit verband op dat bij de aandacht voor cultuur en economie ‘de cultuur’ centraal moet staan, en niet ‘de economie’, waarin cultuur als een productiefactor wordt opgevat. Bij het in de loop van lange tijd ontwikkelde cultuurbeleid gaat het immers om andere waarden dan in de economische wetenschappen waarin vraag- en aanbodkwesties veel meer op de voorgrond staan en waarbij principes als het profijtbeginsel veel gemakkelijker worden toegepast. In het Nederlandse cultuurbeleid staan van aanvang af waarden centraal die te maken hebben met ontwikkeling, beschaving, identiteit en vrijheid – dat is iets wezenlijk anders. Hier moet niet uit het oog worden verloren dat cultuur in politiek-bestuurlijke kring altijd heel bewust als een ‘merit-good’ is aangemerkt dat voor een aanzienlijk deel juist tegen ‘het vrije spel van de markt’ zou moeten worden beschermd.
Gebrek aan historisch inzicht en introspectie spelen hier een belangrijke rol. In de geest van Boekman - die zijn visies ook met historische inzichten verbond - kan worden verwezen naar de noodzaak daarvan. Meer inzicht in de continue ontwikkeling van de relatie tussen overheid en cultuur en de daarin verankerde waarden en verworvenheden, kunnen beleidskeuzes vergemakkelijken en voorkomen dat er voortdurend ‘nieuwe’ aandachtsterreinen in beeld komen, waardoor de aandacht voor basisverantwoordelijkheden naar de marge dreigt te verschuiven. In dit licht kan de eigentijdse aandacht voor de relatie ‘cultuur en economie’ ook worden verklaard als gevolg van een welhaast eindeloze drang naar beleidsvernieuwing; een soort vlucht naar voren, waarin het zicht op het geheel en het daarmee samenhangende historisch perspectief opvallend uit beeld lijken te zijn.


De in politiek-bestuurlijke kringen recent sterk gegroeide aandacht voor de Nederlandse geschiedenis en de daarin verankerde waarden en verworvenheden, heeft in het eigen handelen nog maar weinig wortel geschoten. Zo is de aandacht in het project Cultuur en Economie voor auteursrecht allerminst nieuw. Het maakt al sinds de negentiende eeuw deel uit van het cultuurbeleid. En evenmin is de aandacht voor ‘ondernemerschap’ binnen het kunstonderwijs een noviteit. Al vanaf het begin van de bemoeienis met beeldend kunstonderwijs benadrukt de overheid dat er vooral aandacht voor ‘praktisch toepasbare’ kunst moet zijn, zoals nu voor ‘vormgeving en design’. Even vaak echter, verzandde deze wens in de binnen de opleidingen overheersende opinie dat de kunsten voor alles ‘vrij en autonoom’ moeten zijn. Hoe taai de verhouding tussen het cultuurbeleid en de kunstopleidingen hierdoor in de loop van de tijd is geworden, ondervond staatssecretaris Van der Ploeg, die op grond van montere opvattingen over efficiëntie en meer praktijkgerichtheid zijn tanden op de autonomie van het kunstonderwijs stuk beet, waarna dit aandachtsgebied maar gauw weer uit de sfeer van het cultuurbeleid werd gehaald en binnen het ministerie naar het ‘onderwijsbeleid’ werd teruggeplaatst. Voor de stimulering van het mecenaat valt te hopen dat hier nu eens spijkers met koppen worden geslagen, want de enige manier om hier binnen de traditionele Nederlandse verhoudingen een doorbraak te forceren zal toch moeten komen uit belastingmaatregelen. Dat is echter een domein waar de ministeries van OCW en EZ nu eenmaal weinig over te zeggen hebben.


Tenslotte moeten we ons realiseren dat de relatie ‘cultuur en economie’ van alle tijden is en dat er gelukkig altijd succesvolle culturele ondernemers zijn geweest. Dit soort ondernemers richt zich echter altijd op dat deel van ‘de markt’ waar geld kan worden verdiend. Soms lijkt het er op dat politici zich, juist vanwege het grote publieksbereik en het daarmee samenhangende populaire imago van dit segment, waarin ‘jonge en sexy’ activiteiten als nieuwe media en de audiovisuele industrie naast het Van den Ende-aanbod een hoofdrol vervullen, graag met deze omgeving willen verbinden. De verantwoordelijkheid voor een volwaardig cultureel leven en de bescherming van culturele, vaak kwetsbare waarden, is echter van een andere orde. Daarbij gaat het primair om de stabiele zorg voor het functioneren van kwalitatief hoogwaardige culturele voorzieningen die in de loop van de tijd de ruggengraat van het Nederlandse culturele leven zijn gaan vormen, effectieve aandacht voor cultuur in het onderwijs, de verantwoordelijkheid voor ons culturele erfgoed en de daarmee samenhangende ‘culturele identiteit’, de omgang met ‘de collectie Nederland’, etc.
Om goed duidelijk te houden dat het bij cultuur en economie om fundamenteel andere basiswaarden gaat, zouden deze begrippen juist niet te veel op elkaar moeten worden betrokken. Het marktdenken dat sinds de val van het communisme mondiaal richtinggevend lijkt te zijn, heeft aan een goed cultuurbeleid weinig bij te dragen. In plaats van op nieuwe ‘gouden bergen’ te hopen, zouden politici er meer van doordrongen moeten zijn dat Nederland het aan zijn traditie en status van moderne democratie verplicht is om de veelzijdige verantwoordelijkheden met betrekking tot het culturele leven ruimhartig te vervullen en zich daarbij niet teveel als koopman te gedragen.

Roel Pots is historicus en werkzaam bij het Erfgoedhuis Zuid-Holland. Hij promoveerde op het boek 'Cultuur, koningen en democraten; overheid en cultuur in Nederland' waarvan onlangs de derde geactualiseerde druk verscheen.