SICA, Trans Artists and MEDIA Desk Netherlands have merged into the organisation for international cultural cooperation. Read more

Close

“Kunst ontstaat in zee en wacht tot het wordt opgevist.”

Dit artikel is gepubliceerd in SICAmag editie 25, 2005.
Sinds 1990 legden de Ta’if akkoorden de vernietigende burgeroorlog in Libanon het zwijgen op. Er was weinig over van de reputatie die Beiroet had als cultureel centrum van het Midden Oosten. Het sociale en economische leven was ontwricht, families bleven incompleet en veel gebouwen waren vernietigd. Projectontwikkelaars hebben in korte tijd de stad enigszins weten op te bouwen. Voor de restauratie van het culturele leven is weinig ondernomen. Tot op de dag van vandaag zijn er geen fondsen of musea en is er nauwelijks iets dat op cultuurbeleid lijkt. Toch zijn er volgens het tijdschrift Flash Art “organisaties, groepen en individuele kunstenaars opgestaan die een interessante bodem hebben weten te leggen voor een kunstuitoefening die intellectueel consistent en kritisch betrokken is. Zonder hulp van buitenaf hebben deze kunstenaars het geschopt tot het wereldpodium van hooggewaardeerde exposities en biënnales.” Deze constatering van Flash Art (november 2004) maakt nieuwsgierig. Hoe hebben ze dat voor elkaar gekregen?

Half februari 2005 staat het leven in Libanon weer als vanouds op zijn kop. Een geweldige klap van een autobom maakte een einde aan het leven oud-premier Rafiq Hariri en enkele anderen. Libanon lijkt terug in de situatie waarin volgens een historicus het leven verdeeld werd tussen het wachten op een volgende aanslag en het verwerken van de vorige. Nu laten veel Libanezen hun dagelijkse bezigheden voor wat ze zijn en gaan de straat op om te protesteren. Groot was de verrassing toen dit leidde tot het aftreden van het kabinet. Tussen de demonstraties door kan een enkeling zich vrijmaken om het te hebben over het culturele leven in Libanon. “Er zijn geen grenzen tussen disciplines als theater, literatuur, video, kunstkritiek of beeldende kunst. Kunstenaars van mijn generatie gaan nu over van de ene naar de andere discipline. We zijn dicht bij elkaar, we ontmoeten elkaar vaak informeel, waardoor ideeën van de een naar de ander gaan, zich vermengen, veranderen en op verschillende manieren tot uitdrukking komen. We zijn daar, en dat is belangrijk, niet bang voor.” Kunstenaar, curator en een van de oprichters van het Arab Image Foundation, Akram Zaatari (1965), vindt het niet eenvoudig om artistieke thema’s te ontdekken, één misschien: “Wij zijn geïnteresseerd in geschiedenis en verhalen, zonder historici te zijn. Bewust van onszelf genereren we documenten van deze tijd, niet erover.” Met deze omschrijving vindt hij toch een thema dat zowel voor hem geldt als voor veel andere kunstenaars in zijn omgeving, waaronder de groep kunstenaars die zich heeft verenigd in de Atlas Group. Deze internationaal bekende groep kunstenaars uit Libanon wil dimensies van de burgeroorlog laten zien, die nog niet eerder getoond of onderzocht waren. Hiermee stelt Atlas Group de simplistische en dominante politieke duiding van de burgeroorlog aan de kaak.

Een van de prominente leden van deze groep is Walid Raad die afwisselend werkt in Beiroet en New York. Uit zijn werk My Neck is Thinner Than a Hair blijkt hoezeer de politieke gebeurtenissen hun repercussies hebben op de artistieke thema's in Libanon. Het is een minutieuze verkenning in foto, video en tekst van de gebeurtenissen bij de 3.641 autobomexplosies in de burgeroorlog; alle informatie van de buurtbewoners en instanties over locatie, aantal slachtoffers, aantal meters dat een auto is weggeslagen. Dit project begon in 1987 en bestaat uit meerdere delen. Objectiviteit is niet het doel: “Geschiedenis gaat over de verhalen die we elkaar vandaag vertellen en hoeft niets te maken te hebben met wat er feitelijk is gebeurd. In het VPRO televisieprogramma RAM legt Raad uit dat hij op zoek is naar wat niet beschikbaar is. “Wat beschikbaar is, is de façade van gebouwen van mensen. Wat niet beschikbaar is, zijn de geschiedenis, de tradities en de geheimen.”
Walid Raad exposeerde op de Documenta in Kassel, op de Biënnale in Venetië en in New York. Kunstenaars in Libanon worden niet door de overheid gesteund. Zaatari legt uit: “De Libanese regering heeft geen beleid of fondsen voor kunst en cultuur in Libanon. Hierdoor is de kunstwereld onafhankelijk van de staat. Ieder kunstproject is dus een individueel initiatief, dat meestal ontstaat uit een gevoel van noodzaak, niet omdat een tentoonstellingsruimte moet worden gevuld. Dit maakt dat de onderwerpkeuze vrij is van censuur en dat er een nieuwsgierige experimentele houding bestaat tegenover kunst en de directe sociale en politieke omgeving.”

€ 50 invoerrechten voor videoIn landen als Syrië of Egypte ligt dat anders. Daar werd en wordt kunst en cultuur wel van overheidswege gesteund. Er zijn theaters, culturele centra en geld. Particuliere initiatieven worden nogal eens met argusogen bekeken en de kunstwereld lijkt zich daar soms ook te verdelen in de twee domeinen; staat en privé. Het gebrek aan publiek geld voor kunst in Libanon betekent dat voor ieder project opnieuw sponsors moeten worden gevonden. Eer een project zover is ontwikkeld dat je er sponsors mee kunt overtuigen, ben je al een eind op weg. Zaatari: “Je hebt het gevoel dat je op een eenbaansweg zit. Je kunt alleen nog maar vooruit, er is geen weg meer terug”. Een ander praktisch probleem is volgens hem dat zowel mensen als goederen moeilijk het land in- en uitkomen. De strenge veiligheidsmaatregelen en de hoge in- en uitvoerrechten die je moet betalen, bepalen de aanwezigheid in de internationale kunstscène. “Weet je dat ik iedere keer als ik een beta-kopie van mijn videowerk terugkrijg van een buitenlands festival - zeker als het per koerier is verstuurd - ik 50 euro invoerbelasting betaal?” Kunstenaars letten dus goed op welk medium ze gebruiken. Video is het goedkoopste; ze zetten het op DVD of op hun laptop en nemen het overal mee naar toe. “Maar op den duur heeft dit natuurlijk ook zijn beperkingen.” Het grootste probleem in Libanon is volgens Zaatari om een systeem te vinden dat culturele instellingen enige stabiliteit en kunstenaars wat continuïteit geeft, zodat er meer werk wordt geproduceerd. “Ik was betrokken bij de oprichting van meerdere instellingen. Ik ben ervan overtuigd dat het relatief eenvoudig is een instelling op te richten. Het is veel moeilijker om ervoor te zorgen dat het een stabiele en groeiende organisatie wordt onafhankelijk van individuen. Er is een klein geïnteresseerd kunstpubliek. Voor video schat ik dat er in een stad van 1 miljoen inwoners er 2000 geïnteresseerd zijn in film en videokunst. De laatste tijd merk ik dat muziek en geluidsinstallaties genres in opkomst zijn; tekst en architectuur blijven onverminderd in de belangstelling.”

Te veel nadruk op oorlog Christine Tohme, directeur van de Libanese beeldende Kunstvereniging Ashkal Alwan, vindt de nadruk op Libanon als ‘door oorlog verscheurd’ land, ondertussen wat te groot geworden: “Het wordt steeds moeilijker voor ons om in termen van nationale identiteit te spreken waardoor de kloof tussen ons land en andere landen groter wordt”, verklaart ze in Flash Art (november 2004). En ze pleit ervoor dat de kunstwereld zijn grenzen niet laat bepalen door geografische of politieke scheidslijnen. In het televisieprogramma RAM zegt Walid Raad: “Als de overheid de stabiliteit en veiligheid van een stad niet kan garanderen, kan een stadscultuur verdwijnen. Dat is in Beiroet gebeurd, het kan iedere stad in Noord-Afrika of Europa ook overkomen.” Zou een stad als Sarajevo, of straks misschien Bagdad iets aan het voorbeeld van Beiroet kunnen hebben? “Ja en nee”, vindt Akram Zaatari. “Ja, omdat dit steden zijn die bij nul beginnen, met veel littekens en zorgen over verzoening en wederopbouw. Nee, omdat iedere stad zijn eigen bijzonderheden heeft. In Libanon werkte de afwezigheid van voorgaande tradities in de kunst heel bevrijdend. Video kwam hier bijvoorbeeld tot grote bloei omdat er geen filmindustrie was. We moesten naar alternatieven zoeken. We hebben geproduceerd zonder een systeem van galeries, zonder steun van musea, dus waarom zouden we die nu nodig hebben? Die ervaring zou anderen kunnen interesseren. Maar we zijn nog maar net begonnen. Beiroet is een van de weinige plekken waar men kunst vindt die voortkomt uit een behoefte te experimenteren. Werk ontstaat niet vanuit een behoefte publiek te bereiken, het ontstaat in zee en wacht tot iemand het opvist.”


Decoding Lebanon In april 2005 organiseert de Internationale Manifesta Foundation in Amsterdam een avond over het Culturele leven in Libanon in het vervolg op hun gesprekkenreeks Decoding Europe. In deze avonddurende gesprekken worden aspecten van het sociale, economische en vooral culturele leven van een land onder de loep genomen. Voor deze avond nodigt IMF twee Libanese curatoren uit: Akram Zaatrai, videokunstenaar en initiator van de Arab Image Foundation en Christine Tohme, directeur van de Libanese Beeldende Kunst vereniging Ashkal Alwan. Naar verwachting zal ook een historicus uit de regio een bijdrage leveren aan deze avond.

http://www.manifesta.org/
http://www.fai.org.lb

Annette Lubbers is journalist en communicatie adviseur